lade
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈladəBetekenis
- een platte uitschuifbare bak in een meubelstuk, bedoeld als bergplaats van losse voorwerpen
- laden
- opladen
- bevrachten, inladen
- schuur
- opstapelen, stapelen
- (oogst) binnenhalen
Hoe spreek je lade uit?
/ˈladə/
Lade bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| a | maan |
| d | dak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- platte uitschuifbare bak in een meubelstuk, bedoeld als bergplaats van losse voorwerpen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| laatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| laatjes | verkleinwoord, meervoud |
| laden | meervoud |
| lades | meervoud |
Woordvorm
- aanvoegende wijs van laden
Vervoeging van lade
ladehele werkwoord
Herkomst
zn: van Middelnederlands lade; in de betekenis van ‘schuifbak’ aangetroffen vanaf 1627; verwant met Oudsaksisch hladha en Oudnoords hladhi
Woordfamilie van lade
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lades | meervoud | lade |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lade zijn vastgelegd.