Naar de inhoud

klemzetten

(ook ) iemand dusdanig benaderen dat hij geen kant meer op kan

klemzetten

werkwoord

Betekenis

  1. (ook ) iemand dusdanig benaderen dat hij geen kant meer op kan
  2. met een wielklem bereiken dat een voertuig onbeweeglijk wordt

werkwoord

  1. iets of iemand dusdanig benaderen dat hij geen kant meer op kan figuratively

Vervoeging van klemzetten

klemzettenhele werkwoord — zette klemverleden tijd enkelvoud — zetten klemverleden tijd meervoud — klemgezetvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zet klem zette klem
jij zet klem zette klem
hij, zij, het zet klem zette klem
wij zetten klem zetten klem
jullie zetten klem zetten klem
zij zetten klem zetten klem
Alle 72 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had klemgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had klemgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had klemgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden klemgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden klemgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden klemgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt klemgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb klemgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben klemgezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben klemgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben klemgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben klemgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt klemgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft klemgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft klemgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
klem te zetten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
klem te zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
klem zal zetten bijzin, toekomende tijd
klem zou zetten bijzin, voorwaardelijk
klem zouden zetten bijzin, voorwaardelijk
klem zoudt zetten bijzin, voorwaardelijk
klem zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
klem zullen zetten bijzin, toekomende tijd
klem zult zetten bijzin, toekomende tijd
klemgezet verleden tijd, deelwoord
klemgezet te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
klemgezet zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
klemzet bijzin, tegenwoordige tijd
klemzette bijzin, verleden tijd
klemzettend onvoltooid, deelwoord
te hebben klemgezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen klemzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal klemgezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal klemgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal klemgezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal klemzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal klemzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal klemzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal klemzetten bijzin, toekomende tijd
zet klem gebiedende wijs
zette klem verleden tijd
zou klemgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou klemgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou klemgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou klemzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou klemzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou klemzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou klemzetten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) klemzetten klem zou(dt) zetten bijzin, voorwaardelijk
zouden klemgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden klemgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden klemgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden klemzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden klemzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden klemzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden klemzetten bijzin, voorwaardelijk
zoudt klemgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt klemzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt klemzetten bijzin, voorwaardelijk
zullen klemgezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen klemgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen klemgezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen klemzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen klemzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen klemzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen klemzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen klemzetten bijzin, toekomende tijd
zult klemgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult klemzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult klemzetten bijzin, toekomende tijd
zult/zal klemzetten klem zult/zal zetten bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van klemzetten

Vervoeging van klemzetten

klemzettenhele werkwoord — zette klemverleden tijd enkelvoud — zetten klemverleden tijd meervoud — klemgezetvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zet klem zette klem
jij zet klem zette klem
hij, zij, het zet klem zette klem
wij zetten klem zetten klem
jullie zetten klem zetten klem
zij zetten klem zetten klem
Alle 72 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had klemgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had klemgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had klemgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden klemgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden klemgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden klemgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt klemgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb klemgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben klemgezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben klemgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben klemgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben klemgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt klemgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft klemgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft klemgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
klem te zetten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
klem te zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
klem zal zetten bijzin, toekomende tijd
klem zou zetten bijzin, voorwaardelijk
klem zouden zetten bijzin, voorwaardelijk
klem zoudt zetten bijzin, voorwaardelijk
klem zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
klem zullen zetten bijzin, toekomende tijd
klem zult zetten bijzin, toekomende tijd
klemgezet verleden tijd, deelwoord
klemgezet te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
klemgezet zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
klemzet bijzin, tegenwoordige tijd
klemzette bijzin, verleden tijd
klemzettend onvoltooid, deelwoord
te hebben klemgezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen klemzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal klemgezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal klemgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal klemgezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal klemzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal klemzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal klemzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal klemzetten bijzin, toekomende tijd
zet klem gebiedende wijs
zette klem verleden tijd
zou klemgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou klemgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou klemgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou klemzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou klemzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou klemzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou klemzetten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) klemzetten klem zou(dt) zetten bijzin, voorwaardelijk
zouden klemgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden klemgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden klemgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden klemzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden klemzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden klemzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden klemzetten bijzin, voorwaardelijk
zoudt klemgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt klemzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt klemzetten bijzin, voorwaardelijk
zullen klemgezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen klemgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen klemgezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen klemzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen klemzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen klemzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen klemzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen klemzetten bijzin, toekomende tijd
zult klemgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult klemzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult klemzetten bijzin, toekomende tijd
zult/zal klemzetten klem zult/zal zetten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van klem en zetten

Woordfamilie van klemzetten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
klemgezet voltooid deelwoord klemzetten
klemzet subordinate-clause, tegenwoordige tijd klemzetten
klemzette subordinate-clause, verleden tijd klemzetten
klemzettend onvoltooid deelwoord klemzetten
klemzettende woordvorm klemzetten
zet klem gebiedende wijs klemzetten
zette klem verleden tijd klemzetten
zetten klem aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon klemzetten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klemzetten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over klemzetten

Wat is de betekenis van klemzetten?
Klemzetten is een werkwoord. De betekenis is: (ook ) iemand dusdanig benaderen dat hij geen kant meer op kan. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik klemzetten?
Zo vervoeg je klemzetten zo: het voltooid deelwoord is klemgezet. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord klemzetten is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. K 3
  2. L 3
  3. E 1
  4. M 3
  5. Z 4
  6. E 1
  7. T 2
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

klemzetten levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. K 3
  2. L 3
  3. E 1
  4. M 3
  5. Z 5
  6. E 1
  7. T 2
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 zonder bonus
  12. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

klemzetten in het kort

klemzetten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van klemzetten staan er 41 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort klemzetten bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

klemzetten: (ook ) iemand dusdanig benaderen dat hij geen kant meer op kan
Deel klemzetten — standaardnederlands.nl