tweekleppig
bijvoeglijk naamwoord tweˈklɛpəxBetekenis
- (van sommige weekdieren of van het weekdier zelf) tweeschalig
- twee kleppen bezittend
Hoe spreek je tweekleppig uit?
/tweˈklɛpəx/
Tweekleppig bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| w | quiz |
| e | veel |
| k | kat |
| l | land |
| ɛ | bed |
| p | pak |
| ə | de |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
bijvoeglijk naamwoord
- behorend of met betrekking tot weekdieren die zich beschermen met twee spiegelbeeldig aan elkaar vastzittende schelpen
- met twee beweeglijke platte deksels
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tweekleppige | verbogen, stellende trap |
| tweekleppigs | partitief, stellende trap |
Herkomst
samenstellende afleiding van twee ht en klep zn met het achtervoegsel -ig **[1] terugvorming uit tweekleppigen
Woordfamilie van tweekleppig
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tweekleppigs | partitive, positive | tweekleppig |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tweekleppig zijn vastgelegd.