klepper
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈklɛpərBetekenis
- nachtwaker, die regelmatig zijn ronden liep en een klepper had om te waarschuwen, een klepperman
- iets dat of waarmee men een kleppend geluid kan maken
- rijpaard, draver
- houten sandaal
Hoe spreek je klepper uit?
/ˈklɛpər/
Klepper bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| l | land |
| ɛ | bed |
| p | pak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- nachtwaker, die regelmatig zijn ronden liep en om te waarschuwen een kleppend geluid maakte met een daarvoor gemaakt voorwerp
- iets bijzonder groots of opvallends, of iemand die iets buitengewoons doet
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kleppers | meervoud |
| kleppertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kleppertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klepperen
- gebiedende wijs van klepperen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klepperen
Vervoeging van klepper
klepperhele werkwoord
Herkomst
van Middelnederlands clepper, op te vatten als naamwoord van handeling van kleppen ww met het achtervoegsel -er **[3] in de betekenis van ‘paard’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599 **[5] vooral gangbaar in Vlaanderen
Woordfamilie van klepper
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kleppers | meervoud | klepper |
| kleppertje | verkleinwoord | klepper |
| kleppertjes | verkleinwoord meervoud | klepper |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klepper zijn vastgelegd.