handicap
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈhɛndiˌkɛpBetekenis
- een lichamelijke of geestelijke beperking
Hoe spreek je handicap uit?
/ˈhɛndiˌkɛp/
Handicap bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| d | dak |
| i | riet |
| k | kat |
| p | pak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een systeem in bepaalde sporten en spellen om toe te laten dat de sterkere en zwakkere spelers met gelijkere winstkansen tegen elkaar kunnen spelen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| handicapje | verkleinwoord, enkelvoud |
| handicapjes | verkleinwoord, meervoud |
| handicaps | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van handicappen
- gebiedende wijs van handicappen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van handicappen
Vervoeging van handicap
handicaphele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘belemmering, gebrek’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1929
Woordfamilie van handicap
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| handicapje | verkleinwoord | handicap |
| handicapjes | verkleinwoord meervoud | handicap |
| handicaps | meervoud | handicap |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van handicap zijn vastgelegd.