kaden
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈkadə(n)Betekenis
- een oever van een kade voorzien
Hoe spreek je kaden uit?
/ˈkadən/
Kaden bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| a | maan |
| d | dak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van kaden
kadenhele werkwoord — kaaddeverleden tijd enkelvoud — kaaddenverleden tijd meervoud — gekaadvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kaad | kaadde |
| jij | kaadt | kaadde |
| hij, zij, het | kaadt | kaadde |
| wij | kaden | kaadden |
| jullie | kaden | kaadden |
| zij | kaden | kaadden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gekaad | verleden tijd, deelwoord |
| gekaad te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekaad zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekaad | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekaad | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekaad | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekaad | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekaad | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekaad | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekaad | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekaad | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekaad | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekaad | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekaad | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekaad | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekaad | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekaad | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekaad | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kaad | gebiedende wijs |
| kaadde | verleden tijd |
| kade | aanvoegende wijs |
| kadend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gekaad | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kaden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kaden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gekaad hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekaad hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekaad hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kaden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kaden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kaden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gekaad hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekaad hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekaad hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kaden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kaden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kaden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekaad hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekaad hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekaad hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kaden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kaden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kaden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekaad hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kaden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekaad hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekaad hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekaad hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kaden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kaden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kaden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kaden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekaad hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kaden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord kade
Herkomst
ww: afgeleid van kade zn met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van kaden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekaad | voltooid deelwoord | kaden |
| gekade | woordvorm | kaden |
| kaad | gebiedende wijs | kaden |
| kaadde | verleden tijd | kaden |
| kaadden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kaden |
| kaadt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kaden |
| kadend | onvoltooid deelwoord | kaden |
| kadende | woordvorm | kaden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kaden zijn vastgelegd.