kader
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈkadərBetekenis
- rand die om iets (m.n. een afbeelding of schilderij) heen wordt aangebracht
- situationele context, raamwerk, verband, achtergrond
- (meervoud) leidinggevende medewerkers in een organisatie
Hoe spreek je kader uit?
/ˈkadər/
Kader bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| a | maan |
| d | dak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- : situationele context, raamwerk, verband, achtergrond figuratively
- leidinggevende medewerkers in een organisatie plural
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kaders | meervoud |
| kadertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kadertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kaderen
- gebiedende wijs van kaderen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kaderen
Vervoeging van kader
kaderhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘frame, lijst’ voor het eerst aangetroffen in 1816
Woordfamilie van kader
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kaders | meervoud | kader |
| kadertje | verkleinwoord | kader |
| kadertjes | verkleinwoord meervoud | kader |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kader zijn vastgelegd.