hut
zelfstandig naamwoord /ɦʏt/Betekenis
- een primitieve behuizing voor mens en huisdier, gemaakt van ter plaatse aanwezig materiaal: hout, plaggen, leem e.d. (een behuizing voor uitsluitend dieren, wordt nooit een 'hut' genoemd)
- een schuilgelegenheid in de bergen
- een eenvoudige behuizing als vacantieverblijf op een kampeerterrein of in recreatiegebied
- een ruimte aan boord van een schip voor werkzaamheden van de bemanning, of als accommodatie voor passagiers
Hoe spreek je hut uit?
/hʏt/
Hut bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ʏ | put |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- primitieve behuizing voor mens en huisdier, gemaakt van ter plaatse aanwezig materiaal: hout, plaggen, leem e.d. (een behuizing voor uitsluitend dieren, wordt nooit een 'hut' genoemd)
- schuilgelegenheid in de bergen
- eenvoudige behuizing als vacantieverblijf op een kampeerterrein of in recreatiegebied
- ruimte aan boord van een schip voor werkzaamheden van de bemanning, of als accommodatie voor passagiers
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hutje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hutjes | verkleinwoord, meervoud |
| hutten | meervoud |
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands hutte van Middelhoogduits hütte, in de betekenis van ‘houten woning’ aangetroffen vanaf 1475
Woordfamilie van hut
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hutje | verkleinwoord | hut |
| hutjes | verkleinwoord meervoud | hut |
| hutten | meervoud | hut |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hut zijn vastgelegd.