tut
zelfstandig naamwoord, werkwoord /tʏt/Betekenis
- niet al te slimme persoon (meestal een vrouw)
- speen, fopspeen
Hoe spreek je tut uit?
/tʏt/
Tut bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ʏ | put |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tutje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tutjes | verkleinwoord, meervoud |
| tutten | meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van tutten
- gebiedende wijs van tutten
Vervoeging van tut
tuthele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘tussenwerpsel: uitdrukking van ongeduld’ voor het eerst aangetroffen in 1567
Woordfamilie van tut
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tutje | verkleinwoord | tut |
| tutjes | verkleinwoord meervoud | tut |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tut zijn vastgelegd.