passagier
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- iemand die al of niet tegen betaling meereist met een voer-, vaar- of vliegtuig
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| passagiers | meervoud |
| passagiertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| passagiertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van passagieren
- gebiedende wijs van passagieren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van passagieren
Vervoeging van passagier
passagierhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘reiziger’ voor het eerst aangetroffen in 1547
Woordfamilie van passagier
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| passagiers | meervoud | passagier |
| passagiertje | verkleinwoord | passagier |
| passagiertjes | verkleinwoord meervoud | passagier |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van passagier zijn vastgelegd.