Naar de inhoud

benoemen

~ tot iemand aanwijzen voor het vervullen van een bepaald ambt

benoemen

werkwoord bəˈnumə(n)

Betekenis

  1. ~ tot iemand aanwijzen voor het vervullen van een bepaald ambt
  2. ~ als vaststellen tot welke woordsoort een bepaald woord behoort
  3. iets een naam geven

Hoe spreek je benoemen uit?

/bəˈnumən/

Benoemen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /bəˈnumən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
b bak
ə de
n nek
u boek
m maan
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van benoemen

benoemenhele werkwoord — benoemdeverleden tijd enkelvoud — benoemdenverleden tijd meervoud — benoemdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik benoem benoemde
jij benoemt benoemde
hij, zij, het benoemt benoemde
wij benoemen benoemden
jullie benoemen benoemden
zij benoemen benoemden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben benoemd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
benoem gebiedende wijs
benoemd verleden tijd, deelwoord
benoemd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
benoemd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
benoemd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
benoemd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
benoemd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
benoemd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
benoemd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
benoemd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
benoemd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
benoemd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
benoemde verleden tijd
benoeme aanvoegende wijs
benoemend onvoltooid, deelwoord
bent benoemd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is benoemd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was benoemd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd benoemd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt benoemd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal benoemd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal benoemd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou benoemd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou benoemd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had benoemd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had benoemd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had benoemd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden benoemd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden benoemd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden benoemd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt benoemd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb benoemd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben benoemd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben benoemd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben benoemd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben benoemd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt benoemd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft benoemd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft benoemd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is benoemd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is benoemd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te benoemen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben benoemd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen benoemen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart benoemd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren benoemd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren benoemd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren benoemd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was benoemd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was benoemd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was benoemd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd benoemd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd benoemd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd benoemd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden benoemd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden benoemd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden benoemd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt benoemd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word benoemd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden benoemd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden benoemd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden benoemd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt benoemd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt benoemd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal benoemd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal benoemd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal benoemd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal benoemd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal benoemd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal benoemd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal benoemd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal benoemen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal benoemen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal benoemen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn benoemd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn benoemd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn benoemd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt benoemd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou benoemd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou benoemd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou benoemd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou benoemd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou benoemd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou benoemd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou benoemd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou benoemd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou benoemd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou benoemen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou benoemen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou benoemen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden benoemd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden benoemd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden benoemd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden benoemd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden benoemd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden benoemd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden benoemd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden benoemd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden benoemd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden benoemen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden benoemen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden benoemen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt benoemd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt benoemd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt benoemd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt benoemen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen benoemd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen benoemd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen benoemd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen benoemd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen benoemd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen benoemd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen benoemd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen benoemd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen benoemd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen benoemen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen benoemen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen benoemen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen benoemen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult benoemd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult benoemd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult benoemd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult benoemen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Afgeleid van noemen met het voorvoegsel be-

Woordfamilie van benoemen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
benoem gebiedende wijs benoemen
benoemd voltooid deelwoord benoemen
benoemde verleden tijd benoemen
benoemden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon benoemen
benoeme aanvoegende wijs benoemen
benoemend onvoltooid deelwoord benoemen
benoemende woordvorm benoemen
benoemt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon benoemen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van benoemen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over benoemen

Hoe spreek je benoemen uit?
De uitspraak van benoemen is: /bəˈnumə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent benoemen?
Benoemen is een werkwoord. Het woord betekent: ~ tot iemand aanwijzen voor het vervullen van een bepaald ambt. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je benoemen?
Je vervoegt benoemen als volgt: de tegenwoordige tijd is benoem, de verleden tijd is benoemde en het voltooid deelwoord is benoemd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op benoemen?

In dit woordenboek rijmen 9 woorden op -oemen op benoemen, zoals noemen, beroemen en bloemen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op benoemen, uitspraak bəˈnumən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
noemen 2
beroemen 3
bloemen 2
zoomen 2
alpenbloemen 4
loomen 2
overnoemen 4
zomerbloemen 4
zonnebloemen 4

Scrabble punten

Naar spel

Het woord benoemen is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. E 1
  3. N 1
  4. O 1
  5. E 1
  6. M 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

benoemen levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 63 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. E 1
  3. N 1
  4. O 1
  5. E 1
  6. M 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 zonder bonus
  10. 63 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

benoemen in het kort

benoemen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van benoemen zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort benoemen bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

benoemen: ~ tot iemand aanwijzen voor het vervullen van een bepaald ambt
Deel benoemen — standaardnederlands.nl