noemen
werkwoord ˈnumə(n)Betekenis
- met een naam aanduiden
- vermelden door het uitspreken van de naam
- (België) heten, een bepaalde naam hebben
Hoe spreek je noemen uit?
/ˈnumən/
Noemen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| n | nek |
| u | boek |
| m | maan |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- heten, een bepaalde naam hebben copulative, informal
Vervoeging van noemen
noemenhele werkwoord — noemdeverleden tijd enkelvoud — noemdenverleden tijd meervoud — genoemdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | noem | noemde |
| jij | noemt | noemde |
| hij, zij, het | noemt | noemde |
| wij | noemen | noemden |
| jullie | noemen | noemden |
| zij | noemen | noemden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben genoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent genoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is genoemd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was genoemd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd genoemd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt genoemd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal genoemd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal genoemd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou genoemd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou genoemd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| genoemd | verleden tijd, deelwoord |
| genoemd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| genoemd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| genoemd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| genoemd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| genoemd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| genoemd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| genoemd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| genoemd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| genoemd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| genoemd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had genoemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had genoemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had genoemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden genoemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden genoemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden genoemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt genoemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb genoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben genoemd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben genoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben genoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben genoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt genoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft genoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft genoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is genoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is genoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| noem | gebiedende wijs |
| noemde | verleden tijd |
| noeme | aanvoegende wijs |
| noemend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben genoemd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te noemen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen noemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart genoemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren genoemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren genoemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren genoemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was genoemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was genoemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was genoemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd genoemd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd genoemd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd genoemd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden genoemd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden genoemd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden genoemd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt genoemd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word genoemd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden genoemd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden genoemd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden genoemd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt genoemd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt genoemd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal genoemd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal genoemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal genoemd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal genoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal genoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal genoemd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal genoemd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal noemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal noemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal noemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn genoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn genoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn genoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt genoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou genoemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou genoemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou genoemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou genoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou genoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou genoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou genoemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou genoemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou genoemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou noemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou noemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou noemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden genoemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden genoemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden genoemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden genoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden genoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden genoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden genoemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden genoemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden genoemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden noemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden noemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden noemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt genoemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt genoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt genoemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt noemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen genoemd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen genoemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen genoemd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen genoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen genoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen genoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen genoemd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen genoemd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen genoemd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen noemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen noemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen noemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen noemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult genoemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult genoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult genoemd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult noemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
van Middelnederlands noemen, in de betekenis van ‘een naam geven’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1249
Woordfamilie van noemen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| noem | gebiedende wijs | noemen |
| noemde | verleden tijd | noemen |
| noemden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | noemen |
| noeme | aanvoegende wijs | noemen |
| noemt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | noemen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van noemen zijn vastgelegd.