gelukken
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- een voorspoedige afloop hebben
Vervoeging van gelukken
gelukkenhele werkwoord — gelukteverleden tijd enkelvoud — geluktenverleden tijd meervoud — geluktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | geluk | gelukte |
| jij | gelukt | gelukte |
| hij, zij, het | gelukt | gelukte |
| wij | gelukken | gelukten |
| jullie | gelukken | gelukten |
| zij | gelukken | gelukten |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben gelukt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gelukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| geluk | gebiedende wijs |
| gelukke | aanvoegende wijs |
| gelukkend | onvoltooid, deelwoord |
| gelukt | verleden tijd, deelwoord |
| gelukt te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelukt zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gelukte | verleden tijd |
| is gelukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gelukt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te gelukken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gelukt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gelukken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gelukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gelukt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gelukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gelukt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gelukt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gelukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gelukt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal gelukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gelukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gelukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gelukt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gelukt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gelukt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gelukt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gelukt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gelukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gelukt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gelukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gelukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gelukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gelukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gelukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gelukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gelukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gelukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gelukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gelukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gelukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gelukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gelukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt gelukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gelukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen gelukken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gelukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gelukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gelukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gelukt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gelukt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gelukt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult gelukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gelukt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord geluk
Herkomst
afgeleid van geluk met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van gelukken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gelukke | aanvoegende wijs | gelukken |
| gelukkend | onvoltooid deelwoord | gelukken |
| gelukkende | woordvorm | gelukken |
| gelukten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | gelukken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gelukken zijn vastgelegd.