fitting
zelfstandig naamwoordBetekenis
- houder van een gloeilamp (bajonetfitting, schroeffitting)
- verbindingshulpstuk bij buisleidingen, mof, sok
- lamphouder
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| fittingen | meervoud |
| fittings | meervoud |
| fittinkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| fittinkjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘deel van lamp dat gloeidraden met stroomdraden verbindt’ voor het eerst aangetroffen in 1897
Woordfamilie van fitting
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fittingen | meervoud | fitting |
| fittings | meervoud | fitting |
| fittinkje | verkleinwoord | fitting |
| fittinkjes | verkleinwoord meervoud | fitting |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fitting zijn vastgelegd.