droogzwieren
werkwoord ˈdroxswirə(n)Betekenis
- (Belgisch) centrifugeren om de was na het wassen droger te maken
Hoe spreek je droogzwieren uit?
/ˈdroxswirən/
Droogzwieren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| r | rood |
| o | boot |
| x | acht |
| s | sok |
| w | quiz |
| i | riet |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- na wassen in een trommel met gaatjes snel laten ronddraaien om te drogen
Vervoeging van droogzwieren
droogzwierenhele werkwoord — zwierde droogverleden tijd enkelvoud — zwierden droogverleden tijd meervoud — drooggezwierdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zwier droog | zwierde droog |
| jij | zwiert droog | zwierde droog |
| hij, zij, het | zwiert droog | zwierde droog |
| wij | zwieren droog | zwierden droog |
| jullie | zwieren droog | zwierden droog |
| zij | zwieren droog | zwierden droog |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben drooggezwierd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent drooggezwierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| droog te zullen zwieren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| droog te zwieren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| droog zal zwieren | bijzin, toekomende tijd |
| droog zou zwieren | bijzin, voorwaardelijk |
| droog zouden zwieren | bijzin, voorwaardelijk |
| droog zoudt zwieren | bijzin, voorwaardelijk |
| droog zullen zwieren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| droog zullen zwieren | bijzin, toekomende tijd |
| droog zult zwieren | bijzin, toekomende tijd |
| drooggezwierd | verleden tijd, deelwoord |
| drooggezwierd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| drooggezwierd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| drooggezwierd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| drooggezwierd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| drooggezwierd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| drooggezwierd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| drooggezwierd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| drooggezwierd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| drooggezwierd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| drooggezwierd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| droogzwier | bijzin, tegenwoordige tijd |
| droogzwierde | bijzin, verleden tijd |
| droogzwierden | bijzin, verleden tijd |
| droogzwierend | onvoltooid, deelwoord |
| droogzwiert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| er is drooggezwierd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was drooggezwierd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd drooggezwierd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt drooggezwierd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal drooggezwierd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal drooggezwierd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou drooggezwierd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou drooggezwierd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had drooggezwierd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had drooggezwierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had drooggezwierd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden drooggezwierd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden drooggezwierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden drooggezwierd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt drooggezwierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb drooggezwierd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben drooggezwierd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben drooggezwierd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben drooggezwierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben drooggezwierd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt drooggezwierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft drooggezwierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft drooggezwierd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is drooggezwierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is drooggezwierd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben drooggezwierd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen droogzwieren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart drooggezwierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren drooggezwierd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren drooggezwierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren drooggezwierd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was drooggezwierd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was drooggezwierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was drooggezwierd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd drooggezwierd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd drooggezwierd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd drooggezwierd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden drooggezwierd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden drooggezwierd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden drooggezwierd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt drooggezwierd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word drooggezwierd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden drooggezwierd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden drooggezwierd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden drooggezwierd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt drooggezwierd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt drooggezwierd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal drooggezwierd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal drooggezwierd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal drooggezwierd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal drooggezwierd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal drooggezwierd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal drooggezwierd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal drooggezwierd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal droogzwieren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal droogzwieren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal droogzwieren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal droogzwieren | bijzin, toekomende tijd |
| zijn drooggezwierd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn drooggezwierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn drooggezwierd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt drooggezwierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou drooggezwierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou drooggezwierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou drooggezwierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou drooggezwierd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou drooggezwierd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou drooggezwierd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou drooggezwierd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou drooggezwierd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou drooggezwierd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou droogzwieren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou droogzwieren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou droogzwieren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou droogzwieren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) droogzwieren droog zou(dt) zwieren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden drooggezwierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden drooggezwierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden drooggezwierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden drooggezwierd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden drooggezwierd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden drooggezwierd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden drooggezwierd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden drooggezwierd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden drooggezwierd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden droogzwieren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden droogzwieren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden droogzwieren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden droogzwieren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt drooggezwierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt drooggezwierd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt drooggezwierd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt droogzwieren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt droogzwieren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen drooggezwierd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen drooggezwierd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen drooggezwierd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen drooggezwierd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen drooggezwierd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen drooggezwierd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen drooggezwierd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen drooggezwierd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen drooggezwierd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen droogzwieren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen droogzwieren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen droogzwieren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen droogzwieren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen droogzwieren | bijzin, toekomende tijd |
| zult drooggezwierd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult drooggezwierd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult drooggezwierd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van droog bn en zwieren ww
Woordfamilie van droogzwieren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| drooggezwierd | voltooid deelwoord | droogzwieren |
| drooggezwierde | woordvorm | droogzwieren |
| droogzwier | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | droogzwieren |
| droogzwierde | subordinate-clause, verleden tijd | droogzwieren |
| droogzwierden | subordinate-clause, verleden tijd | droogzwieren |
| droogzwiere | with-subordinate-clause | droogzwieren |
| droogzwierend | onvoltooid deelwoord | droogzwieren |
| droogzwierende | woordvorm | droogzwieren |
| droogzwiert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | droogzwieren |
| zwier droog | gebiedende wijs | droogzwieren |
| zwierde droog | verleden tijd | droogzwieren |
| zwierden droog | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | droogzwieren |
| zwiere droog | woordvorm | droogzwieren |
| zwieren droog | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | droogzwieren |
| zwiert droog | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | droogzwieren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van droogzwieren zijn vastgelegd.