weekdag
zelfstandig naamwoord ˈweɡdɑxBetekenis
- een doordeweekse dag en kan betreffen maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag
Hoe spreek je weekdag uit?
/ˈwegdɑx/
Weekdag bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| e | veel |
| g | goal |
| d | dak |
| ɑ | bad |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- elk van de zeven dagen van de week
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| weekdagen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van week en dag
Woordfamilie van weekdag
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| weekdagen | meervoud | weekdag |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van weekdag zijn vastgelegd.