bedriegen
werkwoord bəˈdriɣə(n)Betekenis
- iemand met kwade opzet in de waan brengen, misleiden
- ontrouw zijn aan
- bedrogen uitkomen: je krijgt niet wat je verwachtte
- misleiden
Hoe spreek je bedriegen uit?
/bəˈdrixən/
Bedriegen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| d | dak |
| r | rood |
| i | riet |
| x | acht |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van bedriegen
bedriegenhele werkwoord — bedroogverleden tijd enkelvoud — bedrogenverleden tijd meervoud — bedrogenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bedrieg | bedroog |
| jij | bedriegt | bedroog |
| hij, zij, het | bedriegt | bedroog |
| wij | bedriegen | bedrogen |
| jullie | bedriegen | bedrogen |
| zij | bedriegen | bedrogen |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bedrieg | gebiedende wijs |
| bedriege | aanvoegende wijs |
| bedriegend | onvoltooid, deelwoord |
| bedrogen | verleden tijd, deelwoord |
| bedrogen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bedrogen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bedroog | verleden tijd |
| er is bedrogen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was bedrogen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd bedrogen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt bedrogen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal bedrogen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal bedrogen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou bedrogen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou bedrogen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bedrogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bedrogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bedrogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bedrogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bedrogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bedrogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bedrogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bedrogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bedrogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bedrogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bedrogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bedrogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bedrogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bedrogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bedrogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bedriegen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bedrogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bedriegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bedriegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bedriegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bedriegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal bedrogen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bedrogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bedrogen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou bedriegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bedriegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bedriegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou bedrogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bedrogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bedrogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bedriegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bedriegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bedriegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden bedrogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bedrogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bedrogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bedriegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt bedrogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bedriegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bedriegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bedriegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bedriegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen bedrogen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bedrogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bedrogen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bedriegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult bedrogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands bedriegen / bedrieghen van Oudnederlands bidriegan, op te vatten als afgeleid van een niet langer bestaand werkwoord *driegen met het voorvoegsel be-; in de betekenis van ‘misleiden’ aangetroffen vanaf 901
Woordfamilie van bedriegen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bedrieg | gebiedende wijs | bedriegen |
| bedriege | aanvoegende wijs | bedriegen |
| bedriegend | onvoltooid deelwoord | bedriegen |
| bedriegende | woordvorm | bedriegen |
| bedriegt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bedriegen |
| bedrogen | voltooid deelwoord | bedriegen |
| bedroog | verleden tijd | bedriegen |
| bedroogt | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | bedriegen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bedriegen zijn vastgelegd.