frauderen
werkwoordBetekenis
- fraude plegen, oneerlijk handelen
Vervoeging van frauderen
frauderenhele werkwoord — fraudeerdeverleden tijd enkelvoud — fraudeerdenverleden tijd meervoud — gefraudeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | fraudeer | fraudeerde |
| jij | fraudeert | fraudeerde |
| hij, zij, het | fraudeert | fraudeerde |
| wij | frauderen | fraudeerden |
| jullie | frauderen | fraudeerden |
| zij | frauderen | fraudeerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gefraudeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gefraudeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gefraudeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gefraudeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gefraudeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gefraudeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gefraudeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gefraudeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| fraudeer | gebiedende wijs |
| fraudeerde | verleden tijd |
| fraudere | aanvoegende wijs |
| frauderend | onvoltooid, deelwoord |
| gefraudeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gefraudeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefraudeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gefraudeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gefraudeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gefraudeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gefraudeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gefraudeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gefraudeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gefraudeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gefraudeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefraudeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gefraudeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefraudeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gefraudeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gefraudeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefraudeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefraudeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te frauderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gefraudeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen frauderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal frauderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal frauderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal frauderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gefraudeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefraudeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gefraudeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou frauderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou frauderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou frauderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gefraudeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefraudeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefraudeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden frauderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden frauderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden frauderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gefraudeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefraudeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefraudeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt frauderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gefraudeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen frauderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen frauderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen frauderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen frauderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gefraudeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefraudeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefraudeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult frauderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gefraudeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bedriegen’ voor het eerst aangetroffen in 1451
Woordfamilie van frauderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fraudeer | gebiedende wijs | frauderen |
| fraudeerde | verleden tijd | frauderen |
| fraudeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | frauderen |
| fraudeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | frauderen |
| fraudere | aanvoegende wijs | frauderen |
| frauderend | onvoltooid deelwoord | frauderen |
| frauderende | woordvorm | frauderen |
| gefraudeerd | voltooid deelwoord | frauderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van frauderen zijn vastgelegd.