zwendelen
werkwoordBetekenis
- oneerlijk zijn, bedriegen, oplichten, frauderen
Vervoeging van zwendelen
zwendelenhele werkwoord — zwendeldeverleden tijd enkelvoud — zwendeldenverleden tijd meervoud — gezwendeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zwendel | zwendelde |
| jij | zwendelt | zwendelde |
| hij, zij, het | zwendelt | zwendelde |
| wij | zwendelen | zwendelden |
| jullie | zwendelen | zwendelden |
| zij | zwendelen | zwendelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gezwendeld | verleden tijd, deelwoord |
| gezwendeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezwendeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezwendeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezwendeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezwendeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezwendeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezwendeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezwendeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezwendeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezwendeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezwendeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezwendeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezwendeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezwendeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezwendeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezwendeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezwendeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezwendeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zwendelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| te zwendelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| zal gezwendeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezwendeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezwendeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zwendelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zwendelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zwendelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gezwendeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezwendeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezwendeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zwendelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zwendelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zwendelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezwendeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezwendeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezwendeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zwendelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zwendelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zwendelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezwendeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zwendelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezwendeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezwendeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezwendeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zwendelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zwendelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zwendelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zwendelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezwendeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zwendelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zwendel | gebiedende wijs |
| zwendelde | verleden tijd |
| zwendele | aanvoegende wijs |
| zwendelend | onvoltooid, deelwoord |
Herkomst
In de betekenis van ‘oplichten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1775
Woordfamilie van zwendelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezwendeld | voltooid deelwoord | zwendelen |
| zwendelde | verleden tijd | zwendelen |
| zwendelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zwendelen |
| zwendele | aanvoegende wijs | zwendelen |
| zwendelend | onvoltooid deelwoord | zwendelen |
| zwendelende | woordvorm | zwendelen |
| zwendelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zwendelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zwendelen zijn vastgelegd.