bevliegen
werkwoord /bəˈvliɣə(n)/Betekenis
- vliegend iets bezoeken
- tweede betekenisomschrijving.
- enz.
Hoe spreek je bevliegen uit?
/bəˈvlixən/
Bevliegen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| v | vis |
| l | land |
| i | riet |
| x | acht |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van bevliegen
bevliegenhele werkwoord — bevloogverleden tijd enkelvoud — bevlogenverleden tijd meervoud — bevlogenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bevlieg | bevloog |
| jij | bevliegt | bevloog |
| hij, zij, het | bevliegt | bevloog |
| wij | bevliegen | bevlogen |
| jullie | bevliegen | bevlogen |
| zij | bevliegen | bevlogen |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bevlieg | gebiedende wijs |
| bevliege | aanvoegende wijs |
| bevliegend | onvoltooid, deelwoord |
| bevlogen | verleden tijd, deelwoord |
| bevlogen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bevlogen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bevloog | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bevlogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bevlogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bevlogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bevlogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bevlogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bevlogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bevlogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bevlogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bevliegen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bevlogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bevliegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bevliegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bevliegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bevliegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal bevlogen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bevlogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bevlogen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou bevliegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bevliegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bevliegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou bevlogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bevlogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bevlogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bevliegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bevliegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bevliegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden bevlogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bevlogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bevlogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bevliegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt bevlogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bevliegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bevliegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bevliegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bevliegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen bevlogen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bevlogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bevlogen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bevliegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult bevlogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van vliegen met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van bevliegen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bevlieg | gebiedende wijs | bevliegen |
| bevliege | aanvoegende wijs | bevliegen |
| bevliegend | onvoltooid deelwoord | bevliegen |
| bevliegende | woordvorm | bevliegen |
| bevliegt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bevliegen |
| bevloog | verleden tijd | bevliegen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bevliegen zijn vastgelegd.