knoeien
werkwoordBetekenis
- slecht of slordig werk leveren
- aan/in elkaar ~ iets slordig vervaardigen
- onjuist of onwettig omgaan met gelden of de boekhouding ervan
Vervoeging van knoeien
knoeienhele werkwoord — knoeideverleden tijd enkelvoud — knoeidenverleden tijd meervoud — geknoeidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | knoei | knoeide |
| jij | knoeit | knoeide |
| hij, zij, het | knoeit | knoeide |
| wij | knoeien | knoeiden |
| jullie | knoeien | knoeiden |
| zij | knoeien | knoeiden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geknoeid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geknoeid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geknoeid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geknoeid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geknoeid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geknoeid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geknoeid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geknoeid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geknoeid | verleden tijd, deelwoord |
| geknoeid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geknoeid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geknoeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geknoeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geknoeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geknoeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geknoeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geknoeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geknoeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geknoeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geknoeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geknoeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geknoeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geknoeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geknoeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geknoeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geknoeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| knoei | gebiedende wijs |
| knoeide | verleden tijd |
| knoeie | aanvoegende wijs |
| knoeiend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geknoeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te knoeien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen knoeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geknoeid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geknoeid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geknoeid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal knoeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal knoeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal knoeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geknoeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geknoeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geknoeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou knoeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou knoeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou knoeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geknoeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geknoeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geknoeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden knoeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden knoeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden knoeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geknoeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt knoeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geknoeid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geknoeid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geknoeid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen knoeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen knoeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen knoeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen knoeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geknoeid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult knoeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘morsen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1617
Woordfamilie van knoeien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geknoeid | voltooid deelwoord | knoeien |
| geknoeide | woordvorm | knoeien |
| knoeide | verleden tijd | knoeien |
| knoeiden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | knoeien |
| knoeie | aanvoegende wijs | knoeien |
| knoeiend | onvoltooid deelwoord | knoeien |
| knoeiende | woordvorm | knoeien |
| knoeit | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | knoeien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van knoeien zijn vastgelegd.