liegen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈliɣə(n)Betekenis
- met opzet dingen vertellen die niet de waarheid zijn maar wel als dusdanig worden gepresenteerd
- een eenvoudig kaartspel
- liggen
Hoe spreek je liegen uit?
/ˈlixən/
Liegen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| i | riet |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van liegen
liegenhele werkwoord — loogverleden tijd enkelvoud — logenverleden tijd meervoud — gelogenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | lieg | loog |
| jij | liegt | loog |
| hij, zij, het | liegt | loog |
| wij | liegen | logen |
| jullie | liegen | logen |
| zij | liegen | logen |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gelogen | verleden tijd, deelwoord |
| gelogen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelogen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gelogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gelogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gelogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gelogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gelogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gelogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gelogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gelogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gelogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gelogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gelogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| lieg | gebiedende wijs |
| liege | aanvoegende wijs |
| liegend | onvoltooid, deelwoord |
| loog | verleden tijd |
| te hebben gelogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te liegen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen liegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gelogen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gelogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gelogen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal liegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal liegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal liegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gelogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gelogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gelogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou liegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou liegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou liegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gelogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gelogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gelogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden liegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden liegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden liegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gelogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt liegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gelogen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gelogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gelogen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen liegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen liegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen liegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen liegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gelogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult liegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘onwaarheid spreken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Woordfamilie van liegen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gelogen | voltooid deelwoord | liegen |
| lieg | gebiedende wijs | liegen |
| liege | aanvoegende wijs | liegen |
| liegend | onvoltooid deelwoord | liegen |
| liegende | woordvorm | liegen |
| liegt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | liegen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van liegen zijn vastgelegd.