zeilen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈzɛɪlə(n)/Betekenis
- voortgestuwd worden door de druk van de wind tegen een opgehouden zeil
- zich in een zeilboot met behulp van de wind over het water voortbewegen
- het beoefenen van het zeilen als sport
- ketsen, een steentje met een afgeplatte vorm scherend over een wateroppervlak gooien zodat het zo vaak mogelijk stuitert
- zich bewegen als een zeilend schip
- wedstrijdsport met zeilvaartuigen
- het reilen en zeilen: hoe dingen gebeuren
Hoe spreek je zeilen uit?
/ˈzɛilən/
Zeilen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɛi | trein |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van zeilen
zeilenhele werkwoord — zeildeverleden tijd enkelvoud — zeildenverleden tijd meervoud — gezeildvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zeil | zeilde |
| jij | zeilt | zeilde |
| hij, zij, het | zeilt | zeilde |
| wij | zeilen | zeilden |
| jullie | zeilen | zeilden |
| zij | zeilen | zeilden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gezeild | verleden tijd, deelwoord |
| gezeild te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezeild zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezeild | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezeild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezeild | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezeild | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezeild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezeild | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezeild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezeild | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezeild | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezeild | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezeild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezeild | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezeild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezeild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezeild | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezeild | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zeilen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zeilen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gezeild hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezeild hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezeild hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zeilen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zeilen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zeilen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zeil | gebiedende wijs |
| zeilde | verleden tijd |
| zeile | aanvoegende wijs |
| zeilend | onvoltooid, deelwoord |
| zou gezeild hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezeild hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezeild hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zeilen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zeilen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zeilen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezeild hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezeild hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezeild hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zeilen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zeilen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zeilen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezeild hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zeilen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezeild hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezeild hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezeild hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zeilen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zeilen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zeilen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zeilen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezeild hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zeilen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord zeil
Herkomst
Werkwoord afgeleid van het zelfstandignaamwoord “zeil”
Woordfamilie van zeilen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezeild | voltooid deelwoord | zeilen |
| zeilde | verleden tijd | zeilen |
| zeilden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zeilen |
| zeile | aanvoegende wijs | zeilen |
| zeilend | onvoltooid deelwoord | zeilen |
| zeilende | woordvorm | zeilen |
| zeilt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zeilen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zeilen zijn vastgelegd.