Naar de inhoud

zeilen

voortgestuwd worden door de druk van de wind tegen een opgehouden zeil

zeilen is meer dan één woord

zeilen

werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈzɛɪlə(n)/

Betekenis

  1. voortgestuwd worden door de druk van de wind tegen een opgehouden zeil
  2. zich in een zeilboot met behulp van de wind over het water voortbewegen
  3. het beoefenen van het zeilen als sport
  4. ketsen, een steentje met een afgeplatte vorm scherend over een wateroppervlak gooien zodat het zo vaak mogelijk stuitert
  5. zich bewegen als een zeilend schip
  6. wedstrijdsport met zeilvaartuigen
  7. het reilen en zeilen: hoe dingen gebeuren

Hoe spreek je zeilen uit?

/ˈzɛilən/

Zeilen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈzɛilən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
z zon
ɛi trein
l land
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van zeilen

zeilenhele werkwoord — zeildeverleden tijd enkelvoud — zeildenverleden tijd meervoud — gezeildvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zeil zeilde
jij zeilt zeilde
hij, zij, het zeilt zeilde
wij zeilen zeilden
jullie zeilen zeilden
zij zeilen zeilden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gezeild verleden tijd, deelwoord
gezeild te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gezeild zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gezeild voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gezeild voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gezeild voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gezeild voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gezeild voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gezeild voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gezeild voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gezeild voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gezeild actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gezeild voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gezeild voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gezeild voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gezeild voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gezeild voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gezeild voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben gezeild actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zeilen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen zeilen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gezeild hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gezeild hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gezeild hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal zeilen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal zeilen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal zeilen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zeil gebiedende wijs
zeilde verleden tijd
zeile aanvoegende wijs
zeilend onvoltooid, deelwoord
zou gezeild hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gezeild hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gezeild hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou zeilen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou zeilen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou zeilen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gezeild hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gezeild hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gezeild hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden zeilen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden zeilen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden zeilen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gezeild hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt zeilen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gezeild hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gezeild hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gezeild hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen zeilen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen zeilen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen zeilen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen zeilen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gezeild hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult zeilen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord zeil

Herkomst

Werkwoord afgeleid van het zelfstandignaamwoord “zeil”

Woordfamilie van zeilen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gezeild voltooid deelwoord zeilen
zeilde verleden tijd zeilen
zeilden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon zeilen
zeile aanvoegende wijs zeilen
zeilend onvoltooid deelwoord zeilen
zeilende woordvorm zeilen
zeilt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon zeilen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zeilen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over zeilen

Hoe spreek ik zeilen uit?
Zo spreek je zeilen uit: /ˈzɛɪlə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van zeilen?
Zeilen is een werkwoord. De betekenis is: voortgestuwd worden door de druk van de wind tegen een opgehouden zeil. In totaal staan er 7 betekenissen.
Hoe vervoeg ik zeilen?
Zo vervoeg je zeilen zo: de tegenwoordige tijd is zeil, de verleden tijd is zeilde en het voltooid deelwoord is gezeild. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op zeilen?

Op zeilen rijmen 9 woorden, onder andere dweilen, kwijlen en veilen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op zeilen, uitspraak ˈzɛilən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
dweilen 2
kwijlen 2
veilen 2
keilen 2
ontzeilen 3
kassiewijlen 4
leiderschapsstijlen 5
pijlen 2
wegzeilen 3

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord zeilen is 11 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. Z 4
  2. E 1
  3. I 1
  4. L 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 11 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

zeilen levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. Z 5
  2. E 1
  3. I 2
  4. L 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 13 zonder bonus
  8. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

zeilen telt 6 letters, waarvan 5 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

zeilen in het kort

zeilen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 7 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van zeilen staan er 32 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort zeilen bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

zeilen: voortgestuwd worden door de druk van de wind tegen een opgehouden zeil
Deel zeilen — standaardnederlands.nl