roeien
werkwoordBetekenis
- zich met behulp van roeispanen in een boot ergens begeven
- een wedstrijdsport waarbij een bepaalde baan zo snel mogelijk roeiend 1 afgelegd moet worden
- peilen
werkwoord
- een wedstrijdsport waarbij een bepaalde baan zo snel mogelijk roeiend [1] afgelegd moet worden unergative
Vervoeging van roeien
roeienhele werkwoord — roeideverleden tijd enkelvoud — roeidenverleden tijd meervoud — geroeidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | roei | roeide |
| jij | roeit | roeide |
| hij, zij, het | roeit | roeide |
| wij | roeien | roeiden |
| jullie | roeien | roeiden |
| zij | roeien | roeiden |
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geroeid | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was geroeid | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd geroeid | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt geroeid | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal geroeid worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal geroeid zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou geroeid worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou geroeid zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geroeid | verleden tijd, deelwoord |
| geroeid te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geroeid zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hebben geroeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| roei | gebiedende wijs |
| roeide | verleden tijd |
| roeie | aanvoegende wijs |
| roeiend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben/zijn geroeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te roeien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen roeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal roeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal roeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal roeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geroeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zou roeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou roeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou roeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden roeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden roeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden roeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt roeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen roeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen roeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen roeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen roeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult roeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘met riemen een vaartuig voortbewegen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van roeien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geroeid | voltooid deelwoord | roeien |
| geroeide | woordvorm | roeien |
| roei | gebiedende wijs | roeien |
| roeide | verleden tijd | roeien |
| roeiden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | roeien |
| roeie | aanvoegende wijs | roeien |
| roeiend | onvoltooid deelwoord | roeien |
| roeiende | woordvorm | roeien |
| roeit | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | roeien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van roeien zijn vastgelegd.