dweil
zelfstandig naamwoord, werkwoord /dʋɛi̯l/Betekenis
- een stuk weefsel in natte vorm gebruikt om een gladde vloer te reinigen
Hoe spreek je dweil uit?
/dwɛil/
Dweil bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| w | quiz |
| ɛi | trein |
| l | land |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dweilen | meervoud |
| dweiltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| dweiltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dweilen
- gebiedende wijs van dweilen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dweilen
Vervoeging van dweil
dweilhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘schoonmaakdoek’ voor het eerst aangetroffen in 1546
Woordfamilie van dweil
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dweiltje | verkleinwoord | dweil |
| dweiltjes | verkleinwoord meervoud | dweil |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dweil zijn vastgelegd.