krijgen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈkrɛ.ɣə(n)/Betekenis
- verwerven, ontvangen
- een ziekte oplopen
Hoe spreek je krijgen uit?
/ˈkrɛxən/
Krijgen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| r | rood |
| ɛ | bed |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- in een bepaalde gewenste toestand brengen transitive
- iets oplopen of beginnen te ondervinden (ziekte e.d.) transitive
- maakt met behulp van een meewerkend voorwerp een pseudo-passieve constructie auxiliary
Vervoeging van krijgen
krijgenhele werkwoord — kreegverleden tijd enkelvoud — kregenverleden tijd meervoud — gekregenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | krijg | kreeg |
| jij | krijgt | kreeg |
| hij, zij, het | krijgt | kreeg |
| wij | krijgen | kregen |
| jullie | krijgen | kregen |
| zij | krijgen | kregen |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gekregen | verleden tijd, deelwoord |
| gekregen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekregen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekregen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kreeg | verleden tijd |
| krijg | gebiedende wijs |
| krijge | aanvoegende wijs |
| krijgend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gekregen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te krijgen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen krijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal krijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal krijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal krijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou krijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou krijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou krijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden krijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden krijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden krijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt krijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen krijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen krijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen krijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen krijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult krijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord krijg
Herkomst
In de betekenis van ‘verwerven’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265
Woordfamilie van krijgen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekregen | voltooid deelwoord | krijgen |
| kreeg | verleden tijd | krijgen |
| kreegt | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | krijgen |
| kregen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | krijgen |
| krijge | aanvoegende wijs | krijgen |
| krijgend | onvoltooid deelwoord | krijgen |
| krijgende | woordvorm | krijgen |
| krijgt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | krijgen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van krijgen zijn vastgelegd.