zegge
zelfstandig naamwoord, bijwoord, werkwoord ˈzɛɣəBetekenis
- een geslacht van zowel bladverliezende als groenblijvende kruidachtige planten, behorend tot de cypergrassenfamilie
- om precies te zijn
- uitgesproken als
Hoe spreek je zegge uit?
/ˈzɛxə/
Zegge bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɛ | bed |
| x | acht |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een geslacht Carex van zowel bladverliezende als groenblijvende overblijvende kruiden met een grasachtige groeivorm, behorend tot de cypergrassenfamilie (Cyperaceae). Het geslacht Carex is met ruim 2000 soorten een van de grootste geslachten van de bedektzadigen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zeggen | meervoud |
| zeggetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zeggetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- aanvoegende wijs van zeggen
Vervoeging van zegge
zeggehele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘aanwijzing van het bedrag in letters’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1865
Woordfamilie van zegge
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zeggetje | verkleinwoord | zegge |
| zeggetjes | verkleinwoord meervoud | zegge |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zegge zijn vastgelegd.