leggen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈlɛxə(n)Betekenis
- doen liggen
Hoe spreek je leggen uit?
/ˈlɛxən/
Leggen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɛ | bed |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van leggen
leggenhele werkwoord — legdeverleden tijd enkelvoud — legdenverleden tijd meervoud — (geleid) *voltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | leg | legde |
| jij | legt | legde |
| hij, zij, het | legt | legde |
| wij | leggen | legden |
| jullie | leggen | legden |
| zij | leggen | legden |
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (geleid) * | verleden tijd, deelwoord |
| (lei) | verleden tijd |
| er is gelegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gelegd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gelegd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gelegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gelegd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gelegd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gelegd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gelegd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gelag zich | aanvoegende wijs |
| gelegd | verleden tijd, deelwoord |
| gelegd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelegd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gelegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gelegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gelegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gelegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| leg | gebiedende wijs |
| leg me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| leg u/je , legt je | gebiedende wijs |
| legde | verleden tijd |
| legde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| legde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| legde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| legde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| legde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| legde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| legde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| legden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| legden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| legden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| legge | aanvoegende wijs |
| leggen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| leggen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| leggen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| leggend | onvoltooid, deelwoord |
| legt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| legt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| legt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| legt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| legt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| legt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| te hebben gelegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te leggen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen leggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal leggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal leggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal leggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal me leggen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich leggen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je leggen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich gelegd hebben | verleden tijd |
| zich leggend | onvoltooid, deelwoord |
| zou gelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou leggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou leggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou leggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden leggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden leggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden leggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt leggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen je leggen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen leggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen leggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen leggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen leggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ons leggen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich leggen | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult gelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult leggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult u leggen | tweede persoon |
| zult u leggen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u leggen | tweede persoon |
| zult zich/u leggen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord leg
Herkomst
In de betekenis van ‘doen liggen’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van leggen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gelegd | voltooid deelwoord | leggen |
| legde | verleden tijd | leggen |
| legden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | leggen |
| legge | aanvoegende wijs | leggen |
| leggend | onvoltooid deelwoord | leggen |
| leggende | woordvorm | leggen |
| legt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | leggen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van leggen zijn vastgelegd.