zeg
zelfstandig naamwoord, werkwoord, tussenwerpsel /zɛx/Betekenis
- voornamelijk als verkleinwoord een uiting van wat men in een vergadering in te brengen heeft
- een aankondiging van een voorbeeld
Hoe spreek je zeg uit?
/zɛx/
Zeg bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɛ | bed |
| x | acht |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zegje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zegjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeggen
- gebiedende wijs van zeggen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeggen
Vervoeging van zeg
zeghele werkwoord
tussenwerpsel
- inhoudsloze toevoeging om de rest van de mededeling extra te benadrukken, meestal helemaal aan het begin of juist helemaal aan het eind van de zin of uiting geplaatst vernacular
- toevoeging om een zekere moeheid/frustratie te uiten vernacular
Woordfamilie van zeg
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zegje | verkleinwoord | zeg |
| zegjes | verkleinwoord meervoud | zeg |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zeg zijn vastgelegd.