wees
zelfstandig naamwoord, werkwoord, bijvoeglijk naamwoord /ʋes/Betekenis
- (minderjarige) persoon wiens vader en/of moeder is gestorven
- gebiedende wijs van zijn
- zijn, wezen
Hoe spreek je wees uit?
/wes/
Wees bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| e | veel |
| s | sok |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- persoon wiens vader en/of moeder is gestorven
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| weesje | verkleinwoord, enkelvoud |
| weesjes | verkleinwoord, meervoud |
| wezen | meervoud |
Vervoeging van wees
weeshele werkwoord
Woordvorm
- enkelvoud verleden tijd van wijzen
Vervoeging van wees
weeshele werkwoord
Woordvorm
- partitief van de stellende trap van wee
Herkomst
In de betekenis van ‘kind zonder ouders’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van wees
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| weesje | verkleinwoord | wees |
| weesjes | verkleinwoord meervoud | wees |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wees zijn vastgelegd.