weerhouden
werkwoordBetekenis
- beletten om iets te doen
- selecteren, laten overblijven, overhouden
Vervoeging van weerhouden
weerhoudenhele werkwoord — weerhieldverleden tijd enkelvoud — weerhieldenverleden tijd meervoud — weerhoudenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | weerhoud | weerhield |
| jij | weerhoudt | weerhield |
| hij, zij, het | weerhoudt | weerhield |
| wij | weerhouden | weerhielden |
| jullie | weerhouden | weerhielden |
| zij | weerhouden | weerhielden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben weerhouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent weerhouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is weerhouden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was weerhouden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd weerhouden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt weerhouden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal weerhouden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal weerhouden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou weerhouden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou weerhouden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had weerhouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had weerhouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had weerhouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden weerhouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden weerhouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden weerhouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt weerhouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb weerhouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben weerhouden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben weerhouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben weerhouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben weerhouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt weerhouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft weerhouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft weerhouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is weerhouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is weerhouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben weerhouden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te weerhouden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen weerhouden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart weerhouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren weerhouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren weerhouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren weerhouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was weerhouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was weerhouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was weerhouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| weerhield | verleden tijd |
| weerhoud | gebiedende wijs |
| weerhoude | aanvoegende wijs |
| weerhouden | verleden tijd, deelwoord |
| weerhouden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| weerhouden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| weerhouden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weerhouden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weerhouden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weerhouden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| weerhouden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| weerhouden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weerhouden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weerhouden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weerhoudend | onvoltooid, deelwoord |
| werd weerhouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd weerhouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd weerhouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden weerhouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden weerhouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden weerhouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt weerhouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word weerhouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden weerhouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden weerhouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden weerhouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt weerhouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt weerhouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal weerhouden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal weerhouden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal weerhouden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal weerhouden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal weerhouden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal weerhouden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal weerhouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal weerhouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal weerhouden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal weerhouden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn weerhouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn weerhouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn weerhouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt weerhouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou weerhouden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou weerhouden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou weerhouden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou weerhouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou weerhouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou weerhouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou weerhouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou weerhouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou weerhouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou weerhouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou weerhouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou weerhouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden weerhouden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden weerhouden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden weerhouden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden weerhouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden weerhouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden weerhouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden weerhouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden weerhouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden weerhouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden weerhouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden weerhouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden weerhouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt weerhouden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt weerhouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt weerhouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt weerhouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen weerhouden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen weerhouden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen weerhouden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen weerhouden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen weerhouden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen weerhouden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen weerhouden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen weerhouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen weerhouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen weerhouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen weerhouden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen weerhouden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen weerhouden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult weerhouden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult weerhouden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult weerhouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult weerhouden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van weer bw en houden
Woordfamilie van weerhouden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| weerhield | verleden tijd | weerhouden |
| weerhielden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | weerhouden |
| weerhoud | gebiedende wijs | weerhouden |
| weerhoude | aanvoegende wijs | weerhouden |
| weerhoudend | onvoltooid deelwoord | weerhouden |
| weerhoudende | woordvorm | weerhouden |
| weerhoudt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | weerhouden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van weerhouden zijn vastgelegd.