wenden
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ʋɛndɘ(n)/Betekenis
- een andere richting inslaan
- van koers veranderen, bij zeilen vooral ook 'door de wind gaan': 'overstag gaan' of 'gijpen'
- zich ~ tot: een persoon of instelling aanspreken
- een andere richting geven, draaien
- besteden
- een andere richting geven, draaien, keren, verkeren
- een bepaalde richting inslaan
- een andere richting geven
Hoe spreek je wenden uit?
/wɛndɘn/
Wenden bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| d | dak |
werkwoord
- van koers veranderen, bij zeilen vooral ook "door de wind gaan": "overstag gaan" of "gijpen" ergative
Vervoeging van wenden
wendenhele werkwoord — wenddeverleden tijd enkelvoud — wenddenverleden tijd meervoud — gewendvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wend | wendde |
| jij | wendt | wendde |
| hij, zij, het | wendt | wendde |
| wij | wenden | wendden |
| jullie | wenden | wendden |
| zij | wenden | wendden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gewend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gewend | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gewend | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gewend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gewend worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gewend zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gewend worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gewend zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gewend | verleden tijd, deelwoord |
| gewend te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gewend te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gewend te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewend te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewend te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewend worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gewend zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gewend zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gewend zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gewend zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gewend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gewend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gewend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gewend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gewend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te wenden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wenden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gewend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gewend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gewend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gewend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| wend | gebiedende wijs |
| wend me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| wend u/je , wendt je | gebiedende wijs |
| wendde | verleden tijd |
| wendde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| wendde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| wendde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| wendde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| wendde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| wendde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| wendde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| wendden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| wendden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| wendden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| wende | aanvoegende wijs |
| wende zich | aanvoegende wijs |
| wenden je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| wenden ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| wenden zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| wendend | onvoltooid, deelwoord |
| wendt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| wendt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| wendt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| wendt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| wendt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| wendt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| werd gewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gewend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gewend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gewend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gewend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gewend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gewend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gewend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gewend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gewend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gewend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me wenden | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal wenden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wenden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wenden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich wenden | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je wenden | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich gewend hebben | verleden tijd |
| zich wendend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou wenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden wenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt wenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gewend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gewend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gewend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gewend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van wennen
Vervoeging van wenden
wendenhele werkwoord — wenddeverleden tijd enkelvoud — wenddenverleden tijd meervoud — gewendvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wend | wendde |
| jij | wendt | wendde |
| hij, zij, het | wendt | wendde |
| wij | wenden | wendden |
| jullie | wenden | wendden |
| zij | wenden | wendden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gewend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gewend | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gewend | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gewend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gewend worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gewend zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gewend worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gewend zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gewend | verleden tijd, deelwoord |
| gewend te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gewend te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gewend te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewend te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewend te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewend worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gewend zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gewend zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gewend zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gewend zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gewend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gewend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gewend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gewend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gewend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te wenden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wenden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gewend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gewend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gewend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gewend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| wend | gebiedende wijs |
| wend me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| wend u/je , wendt je | gebiedende wijs |
| wendde | verleden tijd |
| wendde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| wendde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| wendde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| wendde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| wendde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| wendde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| wendde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| wendden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| wendden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| wendden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| wende | aanvoegende wijs |
| wende zich | aanvoegende wijs |
| wenden je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| wenden ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| wenden zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| wendend | onvoltooid, deelwoord |
| wendt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| wendt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| wendt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| wendt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| wendt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| wendt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| werd gewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gewend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gewend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gewend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gewend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gewend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gewend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gewend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gewend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gewend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gewend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me wenden | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal wenden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wenden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wenden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich wenden | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je wenden | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich gewend hebben | verleden tijd |
| zich wendend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou wenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden wenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt wenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gewend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gewend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gewend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gewend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord wende
Herkomst
In de betekenis van ‘keren’ voor het eerst aangetroffen in 1100
Woordfamilie van wenden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wend | gebiedende wijs | wenden |
| wendde | verleden tijd | wenden |
| wendden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | wenden |
| wendend | onvoltooid deelwoord | wenden |
| wendende | woordvorm | wenden |
| wendt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | wenden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wenden zijn vastgelegd.