Naar de inhoud

wenden

een andere richting inslaan

wenden is meer dan één woord

wenden

werkwoord, zelfstandig naamwoord /ʋɛndɘ(n)/

Betekenis

  1. een andere richting inslaan
  2. van koers veranderen, bij zeilen vooral ook 'door de wind gaan': 'overstag gaan' of 'gijpen'
  3. zich ~ tot: een persoon of instelling aanspreken
  4. een andere richting geven, draaien
  5. besteden
  6. een andere richting geven, draaien, keren, verkeren
  7. een bepaalde richting inslaan
  8. een andere richting geven

Hoe spreek je wenden uit?

/wɛndɘn/

Wenden bestaat uit één lettergreep.

De tekens in /wɛndɘn/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
w quiz
ɛ bed
n nek
d dak

werkwoord

  1. van koers veranderen, bij zeilen vooral ook "door de wind gaan": "overstag gaan" of "gijpen" ergative

Vervoeging van wenden

wendenhele werkwoord — wenddeverleden tijd enkelvoud — wenddenverleden tijd meervoud — gewendvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik wend wendde
jij wendt wendde
hij, zij, het wendt wendde
wij wenden wendden
jullie wenden wendden
zij wenden wendden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gewend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gewend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gewend impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gewend impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gewend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gewend worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gewend zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gewend worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gewend zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gewend verleden tijd, deelwoord
gewend te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gewend te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gewend te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gewend te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gewend te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gewend worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gewend zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gewend zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gewend zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gewend zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gewend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gewend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gewend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gewend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gewend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gewend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gewend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gewend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gewend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gewend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben gewend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te wenden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen wenden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gewend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gewend voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gewend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gewend voltooid, verleden tijd, derde persoon
wend gebiedende wijs
wend me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
wend u/je , wendt je gebiedende wijs
wendde verleden tijd
wendde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
wendde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
wendde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
wendde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
wendde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
wendde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
wendde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
wendden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
wendden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
wendden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
wende aanvoegende wijs
wende zich aanvoegende wijs
wenden je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
wenden ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
wenden zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
wendend onvoltooid, deelwoord
wendt je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
wendt u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
wendt u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
wendt zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
wendt zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
wendt zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
werd gewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gewend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gewend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gewend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gewend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gewend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gewend zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gewend zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me wenden eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal wenden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal wenden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal wenden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich wenden derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je wenden tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich gewend hebben verleden tijd
zich wendend onvoltooid, deelwoord
zijn gewend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gewend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gewend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gewend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gewend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gewend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gewend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gewend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou wenden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou wenden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou wenden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gewend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gewend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gewend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gewend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gewend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gewend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden wenden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden wenden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden wenden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gewend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gewend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt wenden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gewend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gewend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gewend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gewend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van wennen

Vervoeging van wenden

wendenhele werkwoord — wenddeverleden tijd enkelvoud — wenddenverleden tijd meervoud — gewendvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik wend wendde
jij wendt wendde
hij, zij, het wendt wendde
wij wenden wendden
jullie wenden wendden
zij wenden wendden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gewend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gewend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gewend impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gewend impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gewend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gewend worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gewend zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gewend worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gewend zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gewend verleden tijd, deelwoord
gewend te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gewend te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gewend te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gewend te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gewend te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gewend worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gewend zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gewend zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gewend zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gewend zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gewend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gewend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gewend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gewend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gewend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gewend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gewend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gewend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gewend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gewend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben gewend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te wenden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen wenden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gewend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gewend voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gewend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gewend voltooid, verleden tijd, derde persoon
wend gebiedende wijs
wend me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
wend u/je , wendt je gebiedende wijs
wendde verleden tijd
wendde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
wendde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
wendde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
wendde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
wendde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
wendde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
wendde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
wendden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
wendden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
wendden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
wende aanvoegende wijs
wende zich aanvoegende wijs
wenden je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
wenden ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
wenden zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
wendend onvoltooid, deelwoord
wendt je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
wendt u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
wendt u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
wendt zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
wendt zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
wendt zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
werd gewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gewend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gewend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gewend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gewend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gewend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gewend zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gewend zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me wenden eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal wenden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal wenden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal wenden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich wenden derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je wenden tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich gewend hebben verleden tijd
zich wendend onvoltooid, deelwoord
zijn gewend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gewend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gewend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gewend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gewend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gewend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gewend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gewend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou wenden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou wenden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou wenden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gewend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gewend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gewend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gewend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gewend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gewend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden wenden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden wenden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden wenden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gewend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gewend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt wenden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gewend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gewend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gewend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gewend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord wende

Herkomst

In de betekenis van ‘keren’ voor het eerst aangetroffen in 1100

Woordfamilie van wenden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
wend gebiedende wijs wenden
wendde verleden tijd wenden
wendden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon wenden
wendend onvoltooid deelwoord wenden
wendende woordvorm wenden
wendt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon wenden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wenden zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over wenden

Hoe spreek ik wenden uit?
Zo spreek je wenden uit: /ʋɛndɘ(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van wenden?
Wenden is een werkwoord. De betekenis is: een andere richting inslaan. In totaal staan er 9 betekenissen.
Hoe vervoeg ik wenden?
Zo vervoeg je wenden zo: de tegenwoordige tijd is wend, de verleden tijd is wendde en het voltooid deelwoord is gewend. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord wenden is 11 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. W 5
  2. E 1
  3. N 1
  4. D 2
  5. E 1
  6. N 1
  7. 11 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

wenden levert met Wordfeud minimaal 11 en maximaal 63 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. W 5
  2. E 1
  3. N 1
  4. D 2
  5. E 1
  6. N 1
  7. 11 zonder bonus
  8. 63 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

wenden telt 6 letters, waarvan 4 verschillende, want 2 letters komen er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

wenden in het kort

wenden is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 9 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van wenden staan er 103 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort wenden bij een woordfamilie van 6 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

wenden: een andere richting inslaan
Deel wenden — standaardnederlands.nl