omdraaien
werkwoord /ɔmdrajə(n)/Betekenis
- een halve slag draaien
- een halve slag doen draaien
- in het tegenovergestelde doen veranderen
- naar de tegenovergestelde richting gaan
- zich ~: een halve draai om zijn as maken
Hoe spreek je omdraaien uit?
/ɔmdrajən/
Omdraaien bestaat uit drie lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| m | maan |
| d | dak |
| r | rood |
| a | maan |
| j | ja |
| ə | de |
| n | nek |
werkwoord
- als centraal punt hebben
Vervoeging van omdraaien
omdraaienhele werkwoord — draaide omverleden tijd enkelvoud — draaiden omverleden tijd meervoud — omgedraaidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | draai om | draaide om |
| jij | draait om | draaide om |
| hij, zij, het | draait om | draaide om |
| wij | draaien om | draaiden om |
| jullie | draaien om | draaiden om |
| zij | draaien om | draaiden om |
Alle 158 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben omgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent omgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| draai om | gebiedende wijs |
| draai u/je om, draait je om | gebiedende wijs |
| draaide om | verleden tijd |
| er is omgedraaid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was omgedraaid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd omgedraaid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt omgedraaid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal omgedraaid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal omgedraaid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou omgedraaid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou omgedraaid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had omgedraaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had omgedraaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had omgedraaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden omgedraaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden omgedraaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden omgedraaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt omgedraaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb omgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omgedraaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben omgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben omgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt omgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is omgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is omgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| om te draaien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| om te zullen draaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| om zal draaien | bijzin, toekomende tijd |
| om zou draaien | bijzin, voorwaardelijk |
| om zouden draaien | bijzin, voorwaardelijk |
| om zoudt draaien | bijzin, voorwaardelijk |
| om zullen draaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| om zullen draaien | bijzin, toekomende tijd |
| om zult draaien | bijzin, toekomende tijd |
| omdraai | bijzin, tegenwoordige tijd |
| omdraaide | bijzin, verleden tijd |
| omdraaiden | bijzin, verleden tijd |
| omdraaiend | onvoltooid, deelwoord |
| omdraait | bijzin, tegenwoordige tijd |
| omgedraaid | verleden tijd, deelwoord |
| omgedraaid te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omgedraaid te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omgedraaid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgedraaid te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgedraaid te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgedraaid worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omgedraaid zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omgedraaid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omgedraaid zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omgedraaid zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben omgedraaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen omdraaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart omgedraaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omgedraaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren omgedraaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omgedraaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was omgedraaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was omgedraaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was omgedraaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd omgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd omgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd omgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden omgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden omgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden omgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt omgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word omgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden omgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden omgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden omgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt omgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt omgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me omdraaien | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal omdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal omdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal omdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal omdraaien | bijzin, toekomende tijd |
| zal omgedraaid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omgedraaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal omgedraaid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal omgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal omgedraaid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omgedraaid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zich omdraaien | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je omdraaien | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich omdraaiend | onvoltooid, deelwoord |
| zich omgedraaid hebben | verleden tijd |
| zijn omgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn omgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn omgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt omgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou omdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou omdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou omdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou omdraaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zou omgedraaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omgedraaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omgedraaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou omgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou omgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omgedraaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omgedraaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omgedraaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) omdraaien om zou(dt) draaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden omdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden omdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden omdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden omdraaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden omgedraaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden omgedraaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden omgedraaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden omgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden omgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omgedraaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden omgedraaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden omgedraaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt omdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt omdraaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt omgedraaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omgedraaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen je omdraaien | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen omdraaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen omdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen omdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen omdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen omdraaien | bijzin, toekomende tijd |
| zullen omgedraaid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen omgedraaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen omgedraaid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
Herkomst
samenstelling van om bw en draaien ww
Woordfamilie van omdraaien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| draai om | gebiedende wijs | omdraaien |
| draaide om | verleden tijd | omdraaien |
| draaiden om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | omdraaien |
| draaie om | woordvorm | omdraaien |
| draaien om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | omdraaien |
| draait om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | omdraaien |
| omdraaide | subordinate-clause, verleden tijd | omdraaien |
| omdraaiden | subordinate-clause, verleden tijd | omdraaien |
| omdraaie | with-subordinate-clause | omdraaien |
| omdraaiend | onvoltooid deelwoord | omdraaien |
| omdraaiende | woordvorm | omdraaien |
| omdraait | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | omdraaien |
| omgedraaid | voltooid deelwoord | omdraaien |
| omgedraaide | woordvorm | omdraaien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omdraaien zijn vastgelegd.