Naar de inhoud

omdraaien

een halve slag draaien

omdraaien

werkwoord /ɔmdrajə(n)/

Betekenis

  1. een halve slag draaien
  2. een halve slag doen draaien
  3. in het tegenovergestelde doen veranderen
  4. naar de tegenovergestelde richting gaan
  5. zich ~: een halve draai om zijn as maken

Hoe spreek je omdraaien uit?

/ɔmdrajən/

Omdraaien bestaat uit drie lettergrepen.

De tekens in /ɔmdrajən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
m maan
d dak
r rood
a maan
j ja
ə de
n nek

werkwoord

  1. als centraal punt hebben

Vervoeging van omdraaien

omdraaienhele werkwoord — draaide omverleden tijd enkelvoud — draaiden omverleden tijd meervoud — omgedraaidvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik draai om draaide om
jij draait om draaide om
hij, zij, het draait om draaide om
wij draaien om draaiden om
jullie draaien om draaiden om
zij draaien om draaiden om
Alle 158 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben omgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent omgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
draai om gebiedende wijs
draai u/je om, draait je om gebiedende wijs
draaide om verleden tijd
er is omgedraaid impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was omgedraaid impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd omgedraaid impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt omgedraaid impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal omgedraaid worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal omgedraaid zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou omgedraaid worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou omgedraaid zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had omgedraaid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had omgedraaid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had omgedraaid voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden omgedraaid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden omgedraaid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden omgedraaid voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt omgedraaid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb omgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben omgedraaid actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben omgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben omgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben omgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt omgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft omgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft omgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is omgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is omgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
om te draaien actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
om te zullen draaien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
om zal draaien bijzin, toekomende tijd
om zou draaien bijzin, voorwaardelijk
om zouden draaien bijzin, voorwaardelijk
om zoudt draaien bijzin, voorwaardelijk
om zullen draaien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
om zullen draaien bijzin, toekomende tijd
om zult draaien bijzin, toekomende tijd
omdraai bijzin, tegenwoordige tijd
omdraaide bijzin, verleden tijd
omdraaiden bijzin, verleden tijd
omdraaiend onvoltooid, deelwoord
omdraait bijzin, tegenwoordige tijd
omgedraaid verleden tijd, deelwoord
omgedraaid te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
omgedraaid te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
omgedraaid te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
omgedraaid te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
omgedraaid te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
omgedraaid worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
omgedraaid zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
omgedraaid zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
omgedraaid zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
omgedraaid zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te hebben omgedraaid actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen omdraaien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart omgedraaid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren omgedraaid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren omgedraaid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren omgedraaid voltooid, verleden tijd, derde persoon
was omgedraaid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was omgedraaid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was omgedraaid voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd omgedraaid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd omgedraaid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd omgedraaid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden omgedraaid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden omgedraaid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden omgedraaid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt omgedraaid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word omgedraaid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden omgedraaid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden omgedraaid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden omgedraaid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt omgedraaid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt omgedraaid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me omdraaien eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal omdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal omdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal omdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal omdraaien bijzin, toekomende tijd
zal omgedraaid hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal omgedraaid hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal omgedraaid hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal omgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal omgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal omgedraaid zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal omgedraaid zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal zich omdraaien derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je omdraaien tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich omdraaiend onvoltooid, deelwoord
zich omgedraaid hebben verleden tijd
zijn omgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn omgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn omgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt omgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou omdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou omdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou omdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou omdraaien bijzin, voorwaardelijk
zou omgedraaid hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou omgedraaid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou omgedraaid hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou omgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou omgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou omgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou omgedraaid zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou omgedraaid zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou omgedraaid zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) omdraaien om zou(dt) draaien bijzin, voorwaardelijk
zouden omdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden omdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden omdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden omdraaien bijzin, voorwaardelijk
zouden omgedraaid hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden omgedraaid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden omgedraaid hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden omgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden omgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omgedraaid zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden omgedraaid zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden omgedraaid zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt omdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt omdraaien bijzin, voorwaardelijk
zoudt omgedraaid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt omgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt omgedraaid zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen je omdraaien tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen omdraaien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen omdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen omdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen omdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen omdraaien bijzin, toekomende tijd
zullen omgedraaid hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen omgedraaid hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen omgedraaid hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon

Herkomst

samenstelling van om bw en draaien ww

Woordfamilie van omdraaien

Woordvorm Relatie Afgeleid van
draai om gebiedende wijs omdraaien
draaide om verleden tijd omdraaien
draaiden om aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon omdraaien
draaie om woordvorm omdraaien
draaien om aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon omdraaien
draait om aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon omdraaien
omdraaide subordinate-clause, verleden tijd omdraaien
omdraaiden subordinate-clause, verleden tijd omdraaien
omdraaie with-subordinate-clause omdraaien
omdraaiend onvoltooid deelwoord omdraaien
omdraaiende woordvorm omdraaien
omdraait subordinate-clause, tegenwoordige tijd omdraaien
omgedraaid voltooid deelwoord omdraaien
omgedraaide woordvorm omdraaien

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omdraaien zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over omdraaien

Hoe spreek je omdraaien uit?
De uitspraak van omdraaien is: /ɔmdrajə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent omdraaien?
Omdraaien is een werkwoord. Het woord betekent: een halve slag draaien. Deze pagina beschrijft 6 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je omdraaien?
Je vervoegt omdraaien als volgt: het voltooid deelwoord is omgedraaid. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord omdraaien is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. M 3
  3. D 2
  4. R 2
  5. A 1
  6. A 1
  7. I 1
  8. E 1
  9. N 1
  10. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

omdraaien levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. M 3
  3. D 2
  4. R 2
  5. A 1
  6. A 1
  7. I 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 14 zonder bonus
  11. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (M) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

omdraaien in het kort

omdraaien staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 6 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van omdraaien zijn 99 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort omdraaien bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

omdraaien: een halve slag draaien
Deel omdraaien — standaardnederlands.nl