afvallen
werkwoord / ˈɑfɑlə(n) /Betekenis
- gewicht verliezen
- de koers van een schip in de richting van de lijzijde wijzigen
- ontrouw worden aan zijn geloof
- vallen vanaf een hoger gelegen plek
- niet meer meetellen, niet meer kunnen meedoen
- elkaar steunen
afvallen in een zin
- Hij is de laatste maanden vijf kilo afgevallen.
- In de halve finale viel de helft van de deelnemers af.
- De takken vielen door de storm van de boom af.
Gebruik
Afvallen is scheidbaar: in een hoofdzin schuift af naar achteren, zoals in zij valt een kilo af.
Let op: De vervoeging is onregelmatig: viel af, afgevallen.
Hoe spreek je afvallen uit?
/ˈɑfɑlən/
Afvallen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- elkaar niet meer steunen
- verliezen, kwijtraken met name van zorgen
Vervoeging van afvallen
afvallenhele werkwoord — viel afverleden tijd enkelvoud — vielen afverleden tijd meervoud — afgevallenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | val af | viel af |
| jij | valt af | viel af |
| hij, zij, het | valt af | viel af |
| wij | vallen af | vielen af |
| jullie | vallen af | vielen af |
| zij | vallen af | vielen af |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te vallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen vallen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult vallen | bijzin, toekomende tijd |
| afgevallen | verleden tijd, deelwoord |
| afgevallen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgevallen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afval | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afvallend | onvoltooid, deelwoord |
| afvalt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afviel | bijzin, verleden tijd |
| afvielen | bijzin, verleden tijd |
| ben afgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is afgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn afgevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| val af | gebiedende wijs |
| viel af | verleden tijd |
| waart afgevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal afgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn afgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afvallen af zou(dt) vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal afvallen af zult/zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en vallen ww
Woordfamilie van afvallen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgevallen | voltooid deelwoord | afvallen |
| afvalle | with-subordinate-clause | afvallen |
| afvallend | onvoltooid deelwoord | afvallen |
| afvallende | woordvorm | afvallen |
| afvalt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afvallen |
| afviel | subordinate-clause, verleden tijd | afvallen |
| afvielen | subordinate-clause, verleden tijd | afvallen |
| val af | gebiedende wijs | afvallen |
| valle af | woordvorm | afvallen |
| vallen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afvallen |
| valt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afvallen |
| viel af | verleden tijd | afvallen |
| vielen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afvallen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afvallen zijn vastgelegd.