aanspreken
werkwoord ˈansprekə(n)Betekenis
- toespreken
- instemming of weerklank wekken
- verantwoording of opheldering vragen
- in rechten aanspreken
- beginnen uit de voorraad te gebruiken
Hoe spreek je aanspreken uit?
/ˈansprekən/
Aanspreken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| s | sok |
| p | pak |
| r | rood |
| e | veel |
| k | kat |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- om genoegdoening vragen transitive
Vervoeging van aanspreken
aansprekenhele werkwoord — sprak aanverleden tijd enkelvoud — spraken aanverleden tijd meervoud — aangesprokenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spreek aan | sprak aan |
| jij | spreekt aan | spraakt aan |
| hij, zij, het | spreekt aan | sprak aan |
| wij | spreken aan | spraken aan |
| jullie | spreken aan | spraken aan |
| zij | spreken aan | spraken aan |
Alle 83 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te spreken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen spreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal spreken | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou spreken | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden spreken | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt spreken | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen spreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen spreken | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult spreken | bijzin, toekomende tijd |
| aangesproken | verleden tijd, deelwoord |
| aangesproken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangesproken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanspraakt | bijzin, verleden tijd |
| aansprak | bijzin, verleden tijd |
| aanspraken | bijzin, verleden tijd |
| aanspreek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanspreekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aansprekend | onvoltooid, deelwoord |
| er is aangesproken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangesproken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangesproken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangesproken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangesproken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangesproken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangesproken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangesproken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangesproken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangesproken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangesproken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangesproken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangesproken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sprak aan | verleden tijd |
| spreek aan | gebiedende wijs |
| te hebben aangesproken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanspreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal aangesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanspreken | bijzin, toekomende tijd |
| zou aangesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanspreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanspreken aan zou(dt) spreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanspreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanspreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanspreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanspreken | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aanspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aanspreken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aanspreken aan zult/zal spreken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aan en spreken
Woordfamilie van aanspreken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangesproken | voltooid deelwoord | aanspreken |
| aansprak | subordinate-clause, verleden tijd | aanspreken |
| aanspreek | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanspreken |
| aanspreekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanspreken |
| aanspreke | with-subordinate-clause | aanspreken |
| spraakt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanspreken |
| sprak aan | verleden tijd | aanspreken |
| spraken aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanspreken |
| spreek aan | gebiedende wijs | aanspreken |
| spreekt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanspreken |
| spreke aan | woordvorm | aanspreken |
| spreken aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanspreken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanspreken zijn vastgelegd.