Naar de inhoud

aanspreken

toespreken

aanspreken

werkwoord ˈansprekə(n)

Betekenis

  1. toespreken
  2. instemming of weerklank wekken
  3. verantwoording of opheldering vragen
  4. in rechten aanspreken
  5. beginnen uit de voorraad te gebruiken

Hoe spreek je aanspreken uit?

/ˈansprekən/

Aanspreken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈansprekən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
a maan
n nek
s sok
p pak
r rood
e veel
k kat
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. om genoegdoening vragen transitive

Vervoeging van aanspreken

aansprekenhele werkwoord — sprak aanverleden tijd enkelvoud — spraken aanverleden tijd meervoud — aangesprokenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik spreek aan sprak aan
jij spreekt aan spraakt aan
hij, zij, het spreekt aan sprak aan
wij spreken aan spraken aan
jullie spreken aan spraken aan
zij spreken aan spraken aan
Alle 83 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
aan te spreken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen spreken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal spreken bijzin, toekomende tijd
aan zou spreken bijzin, voorwaardelijk
aan zouden spreken bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt spreken bijzin, voorwaardelijk
aan zullen spreken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen spreken bijzin, toekomende tijd
aan zult spreken bijzin, toekomende tijd
aangesproken verleden tijd, deelwoord
aangesproken te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangesproken zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aanspraakt bijzin, verleden tijd
aansprak bijzin, verleden tijd
aanspraken bijzin, verleden tijd
aanspreek bijzin, tegenwoordige tijd
aanspreekt bijzin, tegenwoordige tijd
aansprekend onvoltooid, deelwoord
er is aangesproken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was aangesproken impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd aangesproken impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt aangesproken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal aangesproken worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal aangesproken zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou aangesproken worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou aangesproken zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had aangesproken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had aangesproken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had aangesproken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden aangesproken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden aangesproken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden aangesproken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt aangesproken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb aangesproken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangesproken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben aangesproken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben aangesproken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt aangesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangesproken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sprak aan verleden tijd
spreek aan gebiedende wijs
te hebben aangesproken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aanspreken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal aangesproken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangesproken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangesproken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aanspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aanspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aanspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aanspreken bijzin, toekomende tijd
zou aangesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aanspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aanspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aanspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aanspreken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aanspreken aan zou(dt) spreken bijzin, voorwaardelijk
zouden aangesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aanspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aanspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aanspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aanspreken bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aanspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aanspreken bijzin, voorwaardelijk
zullen aangesproken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangesproken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangesproken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aanspreken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aanspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aanspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aanspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aanspreken bijzin, toekomende tijd
zult aangesproken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult aanspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult aanspreken bijzin, toekomende tijd
zult/zal aanspreken aan zult/zal spreken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van aan en spreken

Woordfamilie van aanspreken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aangesproken voltooid deelwoord aanspreken
aansprak subordinate-clause, verleden tijd aanspreken
aanspreek subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanspreken
aanspreekt subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanspreken
aanspreke with-subordinate-clause aanspreken
spraakt aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon aanspreken
sprak aan verleden tijd aanspreken
spraken aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aanspreken
spreek aan gebiedende wijs aanspreken
spreekt aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon aanspreken
spreke aan woordvorm aanspreken
spreken aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aanspreken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanspreken zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over aanspreken

Hoe spreek je aanspreken uit?
De uitspraak van aanspreken is: /ˈansprekə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent aanspreken?
Aanspreken is een werkwoord. Het woord betekent: toespreken. Deze pagina beschrijft 6 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je aanspreken?
Je vervoegt aanspreken als volgt: het voltooid deelwoord is aangesproken. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aanspreken is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. S 2
  5. P 3
  6. R 2
  7. E 1
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aanspreken levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. S 2
  5. P 4
  6. R 2
  7. E 1
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 17 zonder bonus
  12. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aanspreken in het kort

aanspreken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 6 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van aanspreken zijn 55 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort aanspreken bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

aanspreken: toespreken
Deel aanspreken — standaardnederlands.nl