Naar de inhoud

afslaan

iets weigeren aan te nemen

afslaan

werkwoord ˈɑfslan

Betekenis

  1. iets weigeren aan te nemen
  2. door een slaande beweging iets omlaag doen bewegen
  3. een aanval succesvol het hoofd bieden, verdrijven
  4. bij afslag veilen
  5. zijwaarts gaan
  6. ophouden te werken (van motoren etc.)
  7. in prijs minder worden

Hoe spreek je afslaan uit?

/ˈɑfslan/

Afslaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɑfslan/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɑ bad
f fiets
s sok
l land
a maan
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van afslaan

afslaanhele werkwoord — sloeg afverleden tijd enkelvoud — sloegen afverleden tijd meervoud — afgeslagenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sla af sloeg af
jij slaat af sloeg af
hij, zij, het slaat af sloeg af
wij slaan af sloegen af
jullie slaan af sloegen af
zij slaan af sloegen af
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te slaan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen slaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal slaan bijzin, toekomende tijd
af zou slaan bijzin, voorwaardelijk
af zouden slaan bijzin, voorwaardelijk
af zoudt slaan bijzin, voorwaardelijk
af zullen slaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen slaan bijzin, toekomende tijd
af zult slaan bijzin, toekomende tijd
afgeslagen verleden tijd, deelwoord
afgeslagen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgeslagen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgeslagen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeslagen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeslagen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeslagen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgeslagen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgeslagen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgeslagen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgeslagen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afsla bijzin, tegenwoordige tijd
afslaand onvoltooid, deelwoord
afslaat bijzin, tegenwoordige tijd
afsloeg bijzin, verleden tijd
afsloegen bijzin, verleden tijd
ben afgeslagen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgeslagen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgeslagen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgeslagen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgeslagen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgeslagen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgeslagen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgeslagen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgeslagen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgeslagen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgeslagen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgeslagen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgeslagen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgeslagen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgeslagen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgeslagen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgeslagen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgeslagen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeslagen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgeslagen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeslagen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgeslagen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgeslagen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeslagen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeslagen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgeslagen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgeslagen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sla af gebiedende wijs
sloeg af verleden tijd
te hebben afgeslagen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afslaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgeslagen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgeslagen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgeslagen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgeslagen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgeslagen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgeslagen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgeslagen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgeslagen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgeslagen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgeslagen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgeslagen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgeslagen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgeslagen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgeslagen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgeslagen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgeslagen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgeslagen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgeslagen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgeslagen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgeslagen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgeslagen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeslagen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgeslagen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgeslagen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeslagen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgeslagen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeslagen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afslaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afslaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afslaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afslaan bijzin, toekomende tijd
zijn afgeslagen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgeslagen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgeslagen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgeslagen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgeslagen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeslagen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeslagen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgeslagen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeslagen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgeslagen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeslagen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeslagen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeslagen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afslaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afslaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afslaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afslaan bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afslaan af zou(dt) slaan bijzin, voorwaardelijk
zouden afgeslagen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeslagen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeslagen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgeslagen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgeslagen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgeslagen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgeslagen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeslagen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeslagen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afslaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afslaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afslaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afslaan bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgeslagen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgeslagen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgeslagen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afslaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afslaan bijzin, voorwaardelijk
zullen afgeslagen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeslagen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeslagen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgeslagen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgeslagen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgeslagen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgeslagen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeslagen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeslagen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afslaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afslaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afslaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afslaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afslaan bijzin, toekomende tijd
zult afgeslagen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van af bw en slaan ww

Woordfamilie van afslaan

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgeslagen voltooid deelwoord afslaan
afsla subordinate-clause, tegenwoordige tijd afslaan
afslaand onvoltooid deelwoord afslaan
afslaande woordvorm afslaan
afslaat subordinate-clause, tegenwoordige tijd afslaan
afsloeg subordinate-clause, verleden tijd afslaan
afsloegen subordinate-clause, verleden tijd afslaan
sla af gebiedende wijs afslaan
slaan af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afslaan
slaat af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afslaan
sloeg af verleden tijd afslaan
sloegen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afslaan

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afslaan zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afslaan

Hoe spreek je afslaan uit?
De uitspraak van afslaan is: /ˈɑfslan/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent afslaan?
Afslaan is een werkwoord. Het woord betekent: iets weigeren aan te nemen. Deze pagina beschrijft 7 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je afslaan?
Je vervoegt afslaan als volgt: het voltooid deelwoord is afgeslagen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afslaan is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. L 3
  5. A 1
  6. A 1
  7. N 1
  8. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afslaan levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 103 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. L 3
  5. A 1
  6. A 1
  7. N 1
  8. 13 zonder bonus
  9. 103 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

afslaan telt 7 letters, waarvan 5 verschillende, want 2 letters komen er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

afslaan in het kort

afslaan staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 7 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van afslaan zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afslaan bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afslaan: iets weigeren aan te nemen
Deel afslaan — standaardnederlands.nl