afslaan
werkwoord ˈɑfslanBetekenis
- iets weigeren aan te nemen
- door een slaande beweging iets omlaag doen bewegen
- een aanval succesvol het hoofd bieden, verdrijven
- bij afslag veilen
- zijwaarts gaan
- ophouden te werken (van motoren etc.)
- in prijs minder worden
Hoe spreek je afslaan uit?
/ˈɑfslan/
Afslaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| s | sok |
| l | land |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van afslaan
afslaanhele werkwoord — sloeg afverleden tijd enkelvoud — sloegen afverleden tijd meervoud — afgeslagenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sla af | sloeg af |
| jij | slaat af | sloeg af |
| hij, zij, het | slaat af | sloeg af |
| wij | slaan af | sloegen af |
| jullie | slaan af | sloegen af |
| zij | slaan af | sloegen af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te slaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen slaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal slaan | bijzin, toekomende tijd |
| af zou slaan | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden slaan | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt slaan | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen slaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen slaan | bijzin, toekomende tijd |
| af zult slaan | bijzin, toekomende tijd |
| afgeslagen | verleden tijd, deelwoord |
| afgeslagen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgeslagen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgeslagen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeslagen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeslagen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeslagen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgeslagen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgeslagen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgeslagen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgeslagen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afsla | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afslaand | onvoltooid, deelwoord |
| afslaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afsloeg | bijzin, verleden tijd |
| afsloegen | bijzin, verleden tijd |
| ben afgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgeslagen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgeslagen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgeslagen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgeslagen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgeslagen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgeslagen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgeslagen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgeslagen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgeslagen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgeslagen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgeslagen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgeslagen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeslagen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sla af | gebiedende wijs |
| sloeg af | verleden tijd |
| te hebben afgeslagen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afslaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeslagen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeslagen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgeslagen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgeslagen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgeslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afslaan | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afslaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afslaan af zou(dt) slaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afslaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afslaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgeslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afslaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afslaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en slaan ww
Woordfamilie van afslaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgeslagen | voltooid deelwoord | afslaan |
| afsla | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afslaan |
| afslaand | onvoltooid deelwoord | afslaan |
| afslaande | woordvorm | afslaan |
| afslaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afslaan |
| afsloeg | subordinate-clause, verleden tijd | afslaan |
| afsloegen | subordinate-clause, verleden tijd | afslaan |
| sla af | gebiedende wijs | afslaan |
| slaan af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afslaan |
| slaat af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afslaan |
| sloeg af | verleden tijd | afslaan |
| sloegen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afslaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afslaan zijn vastgelegd.