verwachten
werkwoord vərˈwɑxtə(n)Betekenis
- ergens van uitgaan, iets als vooronderstelling aannemen
Hoe spreek je verwachten uit?
/vərˈwɑxtən/
Verwachten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| w | quiz |
| ɑ | bad |
| x | acht |
| t | tak |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van verwachten
verwachtenhele werkwoord — verwachtteverleden tijd enkelvoud — verwachttenverleden tijd meervoud — verwachtvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verwacht | verwachtte |
| jij | verwacht | verwachtte |
| hij, zij, het | verwacht | verwachtte |
| wij | verwachten | verwachtten |
| jullie | verwachten | verwachtten |
| zij | verwachten | verwachtten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verwacht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verwacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verwacht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verwacht | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verwacht | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verwacht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verwacht worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verwacht zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verwacht worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verwacht zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verwacht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verwacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verwacht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verwacht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verwacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verwacht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verwacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verwacht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verwacht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verwacht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verwacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verwacht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verwacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verwacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verwacht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verwacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verwacht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verwacht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verwachten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verwachten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verwacht | gebiedende wijs |
| verwacht | verleden tijd, deelwoord |
| verwacht te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verwacht te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verwacht te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verwacht te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verwacht te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verwacht worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verwacht zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verwacht zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verwacht zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verwacht zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verwachte | aanvoegende wijs |
| verwachtend | onvoltooid, deelwoord |
| verwachtte | verleden tijd |
| waart verwacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verwacht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verwacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verwacht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verwacht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verwacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verwacht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verwacht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verwacht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verwacht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verwacht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verwacht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verwacht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verwacht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verwacht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verwacht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verwacht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verwacht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verwacht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verwacht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verwacht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verwacht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verwacht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verwacht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verwacht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verwacht zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verwacht zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verwachten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verwachten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verwachten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verwacht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verwacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verwacht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verwacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verwacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verwacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verwacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verwacht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verwacht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verwacht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verwacht zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verwacht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verwacht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verwachten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verwachten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verwachten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verwacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verwacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verwacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verwacht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verwacht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verwacht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verwacht zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verwacht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verwacht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verwachten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verwachten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verwachten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verwacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verwacht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verwacht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verwachten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verwacht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verwacht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verwacht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verwacht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verwacht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verwacht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verwacht zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verwacht zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verwacht zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verwachten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verwachten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verwachten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verwachten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verwacht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verwacht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verwacht zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verwachten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van wachten met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verwachten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verwachtend | onvoltooid deelwoord | verwachten |
| verwachtende | woordvorm | verwachten |
| verwachtte | verleden tijd | verwachten |
| verwachtten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verwachten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verwachten zijn vastgelegd.