verpachten
werkwoord /vər.ˈpɑχ.tə(n)/Betekenis
- huur ontvangen voor het vergeven van het recht om een stuk land te gebruiken dat aan jouzelf toebehoort
Hoe spreek je verpachten uit?
/vərˈpɑxtən/
Verpachten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| p | pak |
| ɑ | bad |
| x | acht |
| t | tak |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van verpachten
verpachtenhele werkwoord — verpachtteverleden tijd enkelvoud — verpachttenverleden tijd meervoud — verpachtvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verpacht | verpachtte |
| jij | verpacht | verpachtte |
| hij, zij, het | verpacht | verpachtte |
| wij | verpachten | verpachtten |
| jullie | verpachten | verpachtten |
| zij | verpachten | verpachtten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verpacht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verpacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verpacht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verpacht | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verpacht | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verpacht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verpacht worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verpacht zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verpacht worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verpacht zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verpacht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verpacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verpacht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verpacht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verpacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verpacht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verpacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verpacht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verpacht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verpacht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verpacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verpacht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verpacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verpacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verpacht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verpacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verpacht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verpacht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verpachten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verpachten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verpacht | gebiedende wijs |
| verpacht | verleden tijd, deelwoord |
| verpacht te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verpacht te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verpacht te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verpacht te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verpacht te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verpacht worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verpacht zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verpacht zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verpacht zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verpacht zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verpachte | aanvoegende wijs |
| verpachtend | onvoltooid, deelwoord |
| verpachtte | verleden tijd |
| waart verpacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verpacht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verpacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verpacht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verpacht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verpacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verpacht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verpacht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verpacht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verpacht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verpacht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verpacht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verpacht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verpacht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verpacht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verpacht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verpacht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verpacht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verpacht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verpacht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verpacht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verpacht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verpacht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verpacht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verpacht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verpacht zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verpacht zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verpachten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verpachten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verpachten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verpacht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verpacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verpacht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verpacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verpacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verpacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verpacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verpacht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verpacht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verpacht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verpacht zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verpacht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verpacht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verpachten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verpachten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verpachten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verpacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verpacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verpacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verpacht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verpacht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verpacht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verpacht zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verpacht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verpacht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verpachten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verpachten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verpachten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verpacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verpacht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verpacht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verpachten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verpacht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verpacht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verpacht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verpacht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verpacht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verpacht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verpacht zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verpacht zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verpacht zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verpachten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verpachten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verpachten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verpachten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verpacht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verpacht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verpacht zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verpachten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘in pacht geven’ voor het eerst aangetroffen in 1280
Woordfamilie van verpachten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verpacht | voltooid deelwoord | verpachten |
| verpachte | aanvoegende wijs | verpachten |
| verpachtend | onvoltooid deelwoord | verpachten |
| verpachtende | woordvorm | verpachten |
| verpachtte | verleden tijd | verpachten |
| verpachtten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verpachten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verpachten zijn vastgelegd.