verblijven
werkwoord, zelfstandig naamwoord vərˈblɛivə(n)Betekenis
- tijdelijk wonen, ergens tijd doorbrengen
Hoe spreek je verblijven uit?
/vərˈblɛivən/
Verblijven bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| b | bak |
| l | land |
| ɛi | trein |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van verblijven
verblijvenhele werkwoord — verbleefverleden tijd enkelvoud — verblevenverleden tijd meervoud — verblevenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verblijf | verbleef |
| jij | verblijft | verbleef |
| hij, zij, het | verblijft | verbleef |
| wij | verblijven | verbleven |
| jullie | verblijven | verbleven |
| zij | verblijven | verbleven |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had verbleven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verbleven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verbleven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verbleven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verbleven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verbleven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verbleven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verbleven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verbleven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verbleven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verbleven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verbleven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verbleven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verbleven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verbleven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verbleven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verblijven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verblijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbleef | verleden tijd |
| verbleven | verleden tijd, deelwoord |
| verbleven te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbleven zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verblijf | gebiedende wijs |
| verblijve | aanvoegende wijs |
| verblijvend | onvoltooid, deelwoord |
| zal verbleven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verbleven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verbleven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verblijven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verblijven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verblijven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou verbleven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verbleven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verbleven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verblijven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verblijven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verblijven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verbleven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verbleven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verbleven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verblijven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verblijven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verblijven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verbleven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verblijven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verbleven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verbleven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verbleven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verblijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verblijven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verblijven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verblijven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verbleven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verblijven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord verblijf
Herkomst
Afgeleid van blijven met het voorvoegsel ver-.
Woordfamilie van verblijven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verbleef | verleden tijd | verblijven |
| verbleven | voltooid deelwoord | verblijven |
| verblijft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verblijven |
| verblijve | aanvoegende wijs | verblijven |
| verblijvend | onvoltooid deelwoord | verblijven |
| verblijvende | woordvorm | verblijven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verblijven zijn vastgelegd.