rijven
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈrɛivə(n)Betekenis
- harken, bij elkaar halen, opruimen
- de zeilen inkorten
- met een rasp ergens kleine stukjes vanaf halen
- (alleen zwak verbogen) onder iets wegkruipen
Hoe spreek je rijven uit?
/ˈrɛivən/
Rijven bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɛi | trein |
| v | vis |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- onder iets wegkruipen obsolete
Vervoeging van rijven
rijvenhele werkwoord — reefverleden tijd enkelvoud — revenverleden tijd meervoud — (gerijfd) *voltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rijf | reef |
| jij | rijft | reef |
| hij, zij, het | rijft | reef |
| wij | rijven | reven |
| jullie | rijven | reven |
| zij | rijven | reven |
Alle 131 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (gerijfd) * | verleden tijd, deelwoord |
| (rijfde) * | verleden tijd |
| - | impersonal, passief |
| er is gerijfd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gerijfd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gerijfd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gerijfd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gerijfd | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gerijfd | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gerijfd | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gerijfd | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gereven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gereven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gereven | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| gereven | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| gereven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| gereven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| gereven | verleden tijd, deelwoord |
| gereven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| gereven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| gereven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| gereven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| gereven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| gereven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| gereven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| gereven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| gereven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| gereven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| gereven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| gereven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| gereven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| gereven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| gereven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| gereven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| gereven te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gereven te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gereven te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gereven te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gereven te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gereven worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| gereven worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| gereven worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gereven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| gereven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| gereven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| gereven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| gereven zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| gereven zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| gereven zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gereven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| gereven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| gereven zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gereven zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gereven zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gerijfd | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerijfd | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gerijfd | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerijfd | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gerijfd | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gerijfd | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gerijfd | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerijfd | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gerijfd | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gerijfd | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gerijfd | verleden tijd, deelwoord |
| had gerijfd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gerijfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gerijfd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gerijfd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gerijfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gerijfd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gerijfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gerijfd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerijfd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gerijfd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerijfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gerijfd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gerijfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt/heeft gerijfd gereven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerijfd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gerijfd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| reef | verleden tijd |
| rijf | gebiedende wijs |
| rijve | aanvoegende wijs |
| rijvend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gerijfd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te rijven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen rijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren gerijfd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gerijfd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gerijfd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden gerijfd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden gerijfd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gerijfd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gerijfd | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerijfd | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gerijfd | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal rijven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal rijven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal rijven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal/zult gerijfd gereven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zijn gerijfd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou gerijfd | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerijfd | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerijfd | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gerijfd | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou rijven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou rijven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou rijven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou/zoudt gerijfd gereven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerijfd | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerijfd | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerijfd | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gerijfd | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden rijven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden rijven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden rijven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gerijfd | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt rijven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gerijfd | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerijfd | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerijfd | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gerijfd | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen rijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen rijven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen rijven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen rijven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gerijfd | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult rijven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult/zal gerijfd gereven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord rijf
Herkomst
erfwoord: Middelnederlands rīven, ontwikkeld uit Oergermaans *hrīfan- ‘krassen, scheuren’, zonder mobiele s bij Indo-Europees *skrei-p-, waartoe ook Lets skrĩpât ‘(in)krassen, ingriffen’ behoort. Evenals Nederduits rieven ‘raspen, wrijven’, Oostfries (Wangeroogs) riiv ‘harken’, Oudengels hrīfnian en Oudnoords hrífa ‘grijpen naar, krabben’.
Woordfamilie van rijven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gereven | voltooid deelwoord | rijven |
| gerijfd | active, infinitive, voltooid, future, short-form | rijven |
| rijfde | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 1e persoon | rijven |
| rijfden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | rijven |
| rijft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | rijven |
| rijve | aanvoegende wijs | rijven |
| rijvend | onvoltooid deelwoord | rijven |
| rijvende | woordvorm | rijven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rijven zijn vastgelegd.