pantser
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een beschermende laag om dieren of voorwerpen, een soort harnas
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pantsers | meervoud |
| pantsertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| pantsertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pantseren
- gebiedende wijs van pantseren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pantseren
Vervoeging van pantser
pantserhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘harnas’ voor het eerst aangetroffen in 1477
Woordfamilie van pantser
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pantsers | meervoud | pantser |
| pantsertje | verkleinwoord | pantser |
| pantsertjes | verkleinwoord meervoud | pantser |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pantser zijn vastgelegd.