uitrusten
werkwoordBetekenis
- één of meer personen, vaar- of voertuigen e.d. voorzien van de benodigdheden voor een taak, expeditie of reis
- zich ontspannen na vermoeiende of langdurige bezigheden
Vervoeging van uitrusten
uitrustenhele werkwoord — rustte uitverleden tijd enkelvoud — rustten uitverleden tijd meervoud — uitgerustvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rust uit | rustte uit |
| jij | rust uit | rustte uit |
| hij, zij, het | rust uit | rustte uit |
| wij | rusten uit | rustten uit |
| jullie | rusten uit | rustten uit |
| zij | rusten uit | rustten uit |
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgerust | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgerust | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgerust | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgerust | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgerust | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgerust | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgerust worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgerust zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgerust worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgerust zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgerust | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgerust | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgerust | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgerust | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgerust | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgerust | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgerust | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgerust | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgerust | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgerust | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgerust | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgerust | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgerust | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgerust | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgerust | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgerust | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgerust | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| rust uit | gebiedende wijs |
| rustte uit | verleden tijd |
| te hebben uitgerust | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitrusten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te rusten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen rusten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal rusten | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou rusten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden rusten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt rusten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen rusten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen rusten | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult rusten | bijzin, toekomende tijd |
| uitgerust | verleden tijd, deelwoord |
| uitgerust te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgerust te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgerust te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgerust te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgerust te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgerust worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgerust zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgerust zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgerust zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgerust zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitrust | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitrustend | onvoltooid, deelwoord |
| uitrustte | bijzin, verleden tijd |
| uitrustten | bijzin, verleden tijd |
| waart uitgerust | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgerust | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgerust | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgerust | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgerust | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgerust | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgerust | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgerust | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgerust | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgerust | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgerust | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgerust | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgerust | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgerust | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgerust | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgerust | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgerust | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgerust | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgerust | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgerust | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgerust hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgerust hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgerust hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgerust worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgerust worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgerust zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgerust zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitrusten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitrusten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitrusten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitrusten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgerust | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgerust | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgerust | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgerust | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgerust hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgerust hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgerust hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgerust worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgerust worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgerust worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgerust zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgerust zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgerust zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitrusten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitrusten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitrusten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitrusten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitrusten uit zou(dt) rusten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgerust hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgerust hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgerust hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgerust worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgerust worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgerust worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgerust zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgerust zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgerust zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitrusten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitrusten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitrusten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitrusten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgerust hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgerust worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgerust zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitrusten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitrusten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgerust hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgerust hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgerust hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgerust worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgerust worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgerust worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgerust zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgerust zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgerust zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitrusten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitrusten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitrusten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitrusten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitrusten | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgerust hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitgerust worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Vervoeging van uitrusten
uitrustenhele werkwoord — rustte uitverleden tijd enkelvoud — rustten uitverleden tijd meervoud — uitgerustvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rust uit | rustte uit |
| jij | rust uit | rustte uit |
| hij, zij, het | rust uit | rustte uit |
| wij | rusten uit | rustten uit |
| jullie | rusten uit | rustten uit |
| zij | rusten uit | rustten uit |
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgerust | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgerust | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgerust | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgerust | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgerust | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgerust | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgerust worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgerust zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgerust worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgerust zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgerust | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgerust | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgerust | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgerust | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgerust | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgerust | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgerust | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgerust | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgerust | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgerust | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgerust | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgerust | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgerust | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgerust | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgerust | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgerust | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgerust | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| rust uit | gebiedende wijs |
| rustte uit | verleden tijd |
| te hebben uitgerust | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitrusten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te rusten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen rusten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal rusten | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou rusten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden rusten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt rusten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen rusten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen rusten | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult rusten | bijzin, toekomende tijd |
| uitgerust | verleden tijd, deelwoord |
| uitgerust te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgerust te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgerust te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgerust te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgerust te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgerust worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgerust zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgerust zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgerust zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgerust zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitrust | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitrustend | onvoltooid, deelwoord |
| uitrustte | bijzin, verleden tijd |
| uitrustten | bijzin, verleden tijd |
| waart uitgerust | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgerust | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgerust | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgerust | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgerust | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgerust | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgerust | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgerust | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgerust | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgerust | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgerust | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgerust | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgerust | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgerust | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgerust | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgerust | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgerust | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgerust | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgerust | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgerust | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgerust hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgerust hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgerust hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgerust worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgerust worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgerust zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgerust zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitrusten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitrusten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitrusten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitrusten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgerust | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgerust | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgerust | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgerust | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgerust hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgerust hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgerust hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgerust worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgerust worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgerust worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgerust zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgerust zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgerust zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitrusten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitrusten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitrusten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitrusten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitrusten uit zou(dt) rusten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgerust hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgerust hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgerust hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgerust worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgerust worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgerust worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgerust zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgerust zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgerust zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitrusten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitrusten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitrusten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitrusten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgerust hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgerust worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgerust zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitrusten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitrusten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgerust hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgerust hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgerust hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgerust worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgerust worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgerust worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgerust zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgerust zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgerust zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitrusten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitrusten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitrusten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitrusten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitrusten | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgerust hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitgerust worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘van het nodige voorzien’ voor het eerst aangetroffen in 1517
Woordfamilie van uitrusten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rust uit | gebiedende wijs | uitrusten |
| ruste uit | woordvorm | uitrusten |
| rusten uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitrusten |
| rustte uit | verleden tijd | uitrusten |
| rustten uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitrusten |
| uitrust | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitrusten |
| uitruste | with-subordinate-clause | uitrusten |
| uitrustend | onvoltooid deelwoord | uitrusten |
| uitrustende | woordvorm | uitrusten |
| uitrustte | subordinate-clause, verleden tijd | uitrusten |
| uitrustten | subordinate-clause, verleden tijd | uitrusten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitrusten zijn vastgelegd.