Naar de inhoud

uitrusten

één of meer personen, vaar- of voertuigen e.d. voorzien van de benodigdheden voor een taak, expeditie of reis

uitrusten

werkwoord

Betekenis

  1. één of meer personen, vaar- of voertuigen e.d. voorzien van de benodigdheden voor een taak, expeditie of reis
  2. zich ontspannen na vermoeiende of langdurige bezigheden

Vervoeging van uitrusten

uitrustenhele werkwoord — rustte uitverleden tijd enkelvoud — rustten uitverleden tijd meervoud — uitgerustvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik rust uit rustte uit
jij rust uit rustte uit
hij, zij, het rust uit rustte uit
wij rusten uit rustten uit
jullie rusten uit rustten uit
zij rusten uit rustten uit
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgerust voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgerust voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgerust impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgerust impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgerust impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgerust impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgerust worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgerust zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgerust worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgerust zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgerust voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgerust voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgerust voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgerust voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgerust voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgerust voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgerust voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgerust voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgerust actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgerust voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgerust voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgerust voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgerust voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgerust voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgerust voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgerust voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgerust voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
rust uit gebiedende wijs
rustte uit verleden tijd
te hebben uitgerust actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitrusten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te rusten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen rusten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal rusten bijzin, toekomende tijd
uit zou rusten bijzin, voorwaardelijk
uit zouden rusten bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt rusten bijzin, voorwaardelijk
uit zullen rusten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen rusten bijzin, toekomende tijd
uit zult rusten bijzin, toekomende tijd
uitgerust verleden tijd, deelwoord
uitgerust te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgerust te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgerust te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgerust te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgerust te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgerust worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgerust zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgerust zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgerust zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgerust zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitrust bijzin, tegenwoordige tijd
uitrustend onvoltooid, deelwoord
uitrustte bijzin, verleden tijd
uitrustten bijzin, verleden tijd
waart uitgerust voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgerust voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgerust voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgerust voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgerust voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgerust voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgerust voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgerust enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgerust enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgerust enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgerust enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgerust enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgerust enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgerust enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgerust enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgerust enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgerust enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgerust enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgerust enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgerust enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgerust hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgerust hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgerust hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgerust worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgerust worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgerust zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgerust zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitrusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitrusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitrusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitrusten bijzin, toekomende tijd
zijn uitgerust voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgerust voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgerust voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgerust voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgerust hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgerust hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgerust hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgerust worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgerust worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgerust worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgerust zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgerust zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgerust zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitrusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitrusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitrusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitrusten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitrusten uit zou(dt) rusten bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgerust hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgerust hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgerust hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgerust worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgerust worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgerust worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgerust zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgerust zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgerust zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitrusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitrusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitrusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitrusten bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgerust hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgerust worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgerust zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitrusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitrusten bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgerust hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgerust hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgerust hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgerust worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgerust worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgerust worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgerust zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgerust zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgerust zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitrusten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitrusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitrusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitrusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitrusten bijzin, toekomende tijd
zult uitgerust hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitgerust worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Vervoeging van uitrusten

uitrustenhele werkwoord — rustte uitverleden tijd enkelvoud — rustten uitverleden tijd meervoud — uitgerustvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik rust uit rustte uit
jij rust uit rustte uit
hij, zij, het rust uit rustte uit
wij rusten uit rustten uit
jullie rusten uit rustten uit
zij rusten uit rustten uit
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgerust voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgerust voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgerust impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgerust impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgerust impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgerust impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgerust worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgerust zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgerust worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgerust zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgerust voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgerust voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgerust voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgerust voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgerust voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgerust voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgerust voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgerust voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgerust actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgerust voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgerust voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgerust voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgerust voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgerust voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgerust voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgerust voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgerust voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
rust uit gebiedende wijs
rustte uit verleden tijd
te hebben uitgerust actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitrusten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te rusten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen rusten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal rusten bijzin, toekomende tijd
uit zou rusten bijzin, voorwaardelijk
uit zouden rusten bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt rusten bijzin, voorwaardelijk
uit zullen rusten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen rusten bijzin, toekomende tijd
uit zult rusten bijzin, toekomende tijd
uitgerust verleden tijd, deelwoord
uitgerust te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgerust te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgerust te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgerust te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgerust te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgerust worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgerust zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgerust zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgerust zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgerust zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitrust bijzin, tegenwoordige tijd
uitrustend onvoltooid, deelwoord
uitrustte bijzin, verleden tijd
uitrustten bijzin, verleden tijd
waart uitgerust voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgerust voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgerust voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgerust voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgerust voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgerust voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgerust voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgerust enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgerust enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgerust enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgerust enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgerust enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgerust enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgerust enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgerust enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgerust enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgerust enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgerust enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgerust enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgerust enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgerust hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgerust hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgerust hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgerust worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgerust worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgerust zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgerust zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitrusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitrusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitrusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitrusten bijzin, toekomende tijd
zijn uitgerust voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgerust voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgerust voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgerust voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgerust hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgerust hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgerust hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgerust worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgerust worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgerust worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgerust zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgerust zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgerust zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitrusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitrusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitrusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitrusten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitrusten uit zou(dt) rusten bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgerust hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgerust hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgerust hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgerust worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgerust worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgerust worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgerust zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgerust zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgerust zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitrusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitrusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitrusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitrusten bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgerust hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgerust worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgerust zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitrusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitrusten bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgerust hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgerust hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgerust hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgerust worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgerust worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgerust worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgerust zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgerust zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgerust zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitrusten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitrusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitrusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitrusten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitrusten bijzin, toekomende tijd
zult uitgerust hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitgerust worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘van het nodige voorzien’ voor het eerst aangetroffen in 1517

Woordfamilie van uitrusten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
rust uit gebiedende wijs uitrusten
ruste uit woordvorm uitrusten
rusten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitrusten
rustte uit verleden tijd uitrusten
rustten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitrusten
uitrust subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitrusten
uitruste with-subordinate-clause uitrusten
uitrustend onvoltooid deelwoord uitrusten
uitrustende woordvorm uitrusten
uitrustte subordinate-clause, verleden tijd uitrusten
uitrustten subordinate-clause, verleden tijd uitrusten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitrusten zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over uitrusten

Wat is de betekenis van uitrusten?
Uitrusten is een werkwoord. De betekenis is: één of meer personen, vaar- of voertuigen e.d. voorzien van de benodigdheden voor een taak, expeditie of reis. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitrusten?
Zo vervoeg je uitrusten zo: het voltooid deelwoord is uitgerust. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitrusten is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. R 2
  5. U 4
  6. S 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitrusten levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. R 2
  5. U 2
  6. S 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 zonder bonus
  11. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (U) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitrusten in het kort

uitrusten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitrusten staan er 86 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitrusten bij een woordfamilie van 11 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitrusten: één of meer personen, vaar- of voertuigen e.d. voorzien van de benodigdheden voor een taak, expeditie of reis
Deel uitrusten — standaardnederlands.nl