troeven
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈtruvə(n)/Betekenis
- een slag overnemen door een kaart te spelen die tot de troefkleur behoort
Hoe spreek je troeven uit?
/ˈtruvən/
Troeven bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| r | rood |
| u | boek |
| v | vis |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van troeven
troevenhele werkwoord — troefdeverleden tijd enkelvoud — troefdenverleden tijd meervoud — getroefdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | troef | troefde |
| jij | troeft | troefde |
| hij, zij, het | troeft | troefde |
| wij | troeven | troefden |
| jullie | troeven | troefden |
| zij | troeven | troefden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| getroefd | verleden tijd, deelwoord |
| getroefd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getroefd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getroefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getroefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getroefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getroefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getroefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getroefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getroefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getroefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getroefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getroefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getroefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getroefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getroefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getroefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getroefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getroefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te troeven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen troeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| troef | gebiedende wijs |
| troefde | verleden tijd |
| troeve | aanvoegende wijs |
| troevend | onvoltooid, deelwoord |
| zal getroefd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getroefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getroefd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal troeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal troeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal troeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou getroefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getroefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getroefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou troeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou troeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou troeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getroefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getroefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getroefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden troeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden troeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden troeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getroefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt troeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getroefd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getroefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getroefd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen troeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen troeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen troeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen troeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getroefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult troeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord troef
Herkomst
afgeleid van troef met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van troeven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getroefd | voltooid deelwoord | troeven |
| getroefde | woordvorm | troeven |
| troefde | verleden tijd | troeven |
| troefden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | troeven |
| troeft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | troeven |
| troeve | aanvoegende wijs | troeven |
| troevend | onvoltooid deelwoord | troeven |
| troevende | woordvorm | troeven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van troeven zijn vastgelegd.