troef
zelfstandig naamwoord, werkwoord trufBetekenis
- een kaart van een kleur die hogere waarde heeft dan andere kleuren
- een verborgen voordeel
Hoe spreek je troef uit?
/truf/
Troef bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| r | rood |
| u | boek |
| f | fiets |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| troefje | verkleinwoord, enkelvoud |
| troefjes | verkleinwoord, meervoud |
| troeven | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van troeven
- gebiedende wijs van troeven
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van troeven
Vervoeging van troef
troefhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Nederduits, in de betekenis van ‘kaart die andere kaarten slaat’ voor het eerst aangetroffen in 1508
Woordfamilie van troef
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| troefje | verkleinwoord | troef |
| troefjes | verkleinwoord meervoud | troef |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van troef zijn vastgelegd.