snoeven
werkwoord ˈsnuvə(n)Betekenis
- opscheppen
Hoe spreek je snoeven uit?
/ˈsnuvən/
Snoeven bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| n | nek |
| u | boek |
| v | vis |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van snoeven
snoevenhele werkwoord — snoefdeverleden tijd enkelvoud — snoefdenverleden tijd meervoud — gesnoefdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | snoef | snoefde |
| jij | snoeft | snoefde |
| hij, zij, het | snoeft | snoefde |
| wij | snoeven | snoefden |
| jullie | snoeven | snoefden |
| zij | snoeven | snoefden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gesnoefd | verleden tijd, deelwoord |
| gesnoefd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesnoefd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesnoefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesnoefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesnoefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesnoefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesnoefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesnoefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesnoefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesnoefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesnoefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesnoefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesnoefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesnoefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesnoefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesnoefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesnoefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| snoef | gebiedende wijs |
| snoefde | verleden tijd |
| snoeve | aanvoegende wijs |
| snoevend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesnoefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te snoeven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen snoeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesnoefd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesnoefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesnoefd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal snoeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal snoeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal snoeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesnoefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesnoefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesnoefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou snoeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou snoeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou snoeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesnoefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesnoefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesnoefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden snoeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden snoeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden snoeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesnoefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt snoeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesnoefd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesnoefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesnoefd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen snoeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen snoeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen snoeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen snoeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesnoefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult snoeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘opscheppen’ voor het eerst aangetroffen in 1645
Woordfamilie van snoeven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesnoefd | voltooid deelwoord | snoeven |
| snoef | gebiedende wijs | snoeven |
| snoefde | verleden tijd | snoeven |
| snoefden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | snoeven |
| snoeft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | snoeven |
| snoeve | aanvoegende wijs | snoeven |
| snoevend | onvoltooid deelwoord | snoeven |
| snoevende | woordvorm | snoeven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van snoeven zijn vastgelegd.