proeven
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈpruvənBetekenis
- onderzoeken hoe iets smaakt
- smaak waarnemen
Hoe spreek je proeven uit?
/ˈpruvən/
Proeven bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| r | rood |
| u | boek |
| v | vis |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van proeven
proevenhele werkwoord — proefdeverleden tijd enkelvoud — proefdenverleden tijd meervoud — geproefdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | proef | proefde |
| jij | proeft | proefde |
| hij, zij, het | proeft | proefde |
| wij | proeven | proefden |
| jullie | proeven | proefden |
| zij | proeven | proefden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geproefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geproefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geproefd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geproefd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geproefd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geproefd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geproefd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geproefd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geproefd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geproefd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geproefd | verleden tijd, deelwoord |
| geproefd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geproefd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geproefd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geproefd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geproefd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geproefd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geproefd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geproefd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geproefd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geproefd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geproefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geproefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geproefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geproefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geproefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geproefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geproefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geproefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geproefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geproefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geproefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geproefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geproefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geproefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geproefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geproefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geproefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| proef | gebiedende wijs |
| proefde | verleden tijd |
| proeve | aanvoegende wijs |
| proevend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geproefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te proeven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen proeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geproefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geproefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geproefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geproefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geproefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geproefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geproefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geproefd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geproefd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geproefd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geproefd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geproefd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geproefd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geproefd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geproefd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geproefd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geproefd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geproefd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geproefd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geproefd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geproefd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geproefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geproefd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geproefd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geproefd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geproefd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geproefd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal proeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal proeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal proeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geproefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geproefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geproefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geproefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geproefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geproefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geproefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geproefd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geproefd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geproefd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geproefd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geproefd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geproefd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou proeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou proeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou proeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geproefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geproefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geproefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geproefd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geproefd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geproefd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geproefd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geproefd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geproefd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden proeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden proeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden proeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geproefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geproefd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geproefd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt proeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geproefd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geproefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geproefd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geproefd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geproefd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geproefd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geproefd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geproefd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geproefd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen proeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen proeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen proeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen proeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geproefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geproefd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geproefd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult proeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord proef
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘keuren door te eten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1200
Woordfamilie van proeven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geproefd | voltooid deelwoord | proeven |
| geproefde | woordvorm | proeven |
| proefde | verleden tijd | proeven |
| proefden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | proeven |
| proeft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | proeven |
| proeve | aanvoegende wijs | proeven |
| proevend | onvoltooid deelwoord | proeven |
| proevende | woordvorm | proeven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van proeven zijn vastgelegd.