spat
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- vlek die het resultaat is van spatten
- verleden tijd enkelvoud en meervoud van spit, 'spugen'
- vier; twee plus twee
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- vochtvlek die het resultaat is van spatten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| spatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| spatjes | verkleinwoord, meervoud |
| spatten | meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van spatten
- gebiedende wijs van spatten
Vervoeging van spat
spathele werkwoord
Woordfamilie van spat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spatje | verkleinwoord | spat |
| spatjes | verkleinwoord meervoud | spat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spat zijn vastgelegd.