snor
zelfstandig naamwoord, werkwoord snɔrBetekenis
- beharing tussen neus en bovenlip
- speelgoed dat een brommend geluid voortbrengt
- lichte dronkenschap
- wagen voor ongeregeld passagiersvervoer
Hoe spreek je snor uit?
/snɔr/
Snor bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| n | nek |
| ɔ | bot |
| r | rood |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- vogel (Locustella luscinioides) die tot de rietzangers Sylviidae behoort en een snorrend geluid voortbrengt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| snorren | meervoud |
| snorretje | verkleinwoord, enkelvoud |
| snorretjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snorren
- gebiedende wijs van snorren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snorren
Vervoeging van snor
snorhele werkwoord
Herkomst
[1] (verkorting) van snorbaard, in de betekenis van ‘haar op de bovenlip’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1844
Woordfamilie van snor
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| snorretje | verkleinwoord | snor |
| snorretjes | verkleinwoord meervoud | snor |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van snor zijn vastgelegd.