nor
zelfstandig naamwoord nɔrBetekenis
- plaats waar misdadigers worden opgesloten
- wie
- noch
Hoe spreek je nor uit?
/nɔr/
Nor bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| n | nek |
| ɔ | bot |
| r | rood |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- plaats waar misdadigers worden opgesloten, gevangenis informal
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| norren | meervoud |
| norretje | verkleinwoord, enkelvoud |
| norretjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Bargoens, misschien klanknabootsing, vergelijk brommen ww ; in de betekenis van ‘gevangenis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1881
Woordfamilie van nor
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| norretje | verkleinwoord | nor |
| norretjes | verkleinwoord meervoud | nor |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nor zijn vastgelegd.