hoor
tussenwerpsel, werkwoord /ɦɔːr/Betekenis
- ter bevestiging, ontkenning, toestemming, instemming enz. tussen of na een uitspraak of mededeling
Hoe spreek je hoor uit?
/hɔr/
Hoor bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɔ | bot |
| r | rood |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van horen
- gebiedende wijs van horen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van horen
Vervoeging van hoor
hoorhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘tussenwerpsel: ter bevestiging van een uitspraak’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1781